|
STAATSBESLUIT van 30 oktober 1981 ter uitvoering van de artikelen l4, l5 en 24 van het ,,Zeevisserijdecrect 1980" (S.B. 1980 no. 144) (Kustvisserijbesluit 1981). |
|
DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, Overwegende, dat -- ter uitvoering van de artikelen 14, 15 en 24 van het ,Zeevisserijdecreet 1980" (S.B. 1980 No. 144) - het noodzakeliik is af te wijken van een of meer van de bepalingen van de hoofdstukken II, Ш en IV van dit decreet voor het vissen met kleine vissersvaartuigen, welke alleen vlak onder de kust vissen; Heeft, na goedkeuring door de Raad van Ministers, besloten: Artikel 1 Van
het bepaalde bij of krachtens dit Staatsbesluit wordt onder
,kustvisserij" verstaan: Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Gegeven
te Paramaribo, de 30ste oktober 1981. De
Minister van Landbouw, Uitgegeven
te Paramaribo, de 30ste oktober 1981.
NOTA VAN TOELICHTING Het decreet C-14 van 31 december 1980, houdende regelingen op het gebied van de zeevisserij (S.B. 1980 No. 144) laat in artikel 24 terecht de mogelijkheid open, om voor het vissen in de visserij-zône met vissersvaartuigen beneden een rninimum-inhoud, welke alleen vlak onder de kust vissen, afwijkende regelingen in het leven te roepen. Ter uitvoering van genoemd artikel 24 werd de Resolutie van 22 april 1981 no 3209 (S.B. 1981 No. 045) in het leven geroepen, hetgeen niet juist was. Immers schrijft artikel 24 van het ,Zeevisserijdecreet 1980" voor, dat bij Staatsbesluit van het een en ander kan worden afgeweken. Het voorliggende ontwerp heeft ten doel dit manco recht te trekken. De noodzaak voor een afwijkende regeling voor deze categorie is evident, als wordt bedacht dat het hier kwantitatief betreft bevolkingsvissers, die veelal zelf eigenaar zijn van hun open vaartuig, waarmede de kustvisserij met drijfnetten, schutbanknetten en hand- en beuglijnen wordt bedreven. Enige ordering van de kustvisserij wordt evenwel noodzakelijk geacht, omdat per slot van zake ook hierbij het risico van het verlies van mensenlevens aanwezig is. Hier toe dient artikel 2 (leden 1 en 2) dat de delen A, B en C van het centraal visserijregister (art. 6 van het ,Zeevisserijdecreet 1980") uitbreidt met een deel K, waarin de kustvisserssehepen zullen worden geregistreerd. Aangezien bij de kustvisserij sprake is van een enorm groot verloop van bemanningen, is het indienen van een bemanningslijst bij het aanvragen van een visvergunning niet verplicht gesteld (art. 15, lid 1 sub a, ,Zeevisserij- decreet 1980"). Het afwezig zijn van radiocommunicatie- apparatuur en andere elektrische of elektronische apparatuur maakt deze verplichting overbodig. Op grond van deze omstandigheden zal het de kustvissers slechts verplicht zijn bij hun aanvragen van visvergunningen als bijlagen toe te voegen:
Door de aard en het karakter van de ondernemingsvorm van de kustvisserijbedrijven is de verplichting zich te doen inschrijven in het register van de Kamer van Koophandel niet relevant, weshalve deze verplichting niet wordt opgelegd (art. 2 lid 4). Voor het overige blijven de artikelen van het ,Zeevisserijdecreet 1980" van kracht (art.3 lid 1). De
Minister van Landbouw, |