|
STAATSBESLUIT van 10 juni 1977, houdende vaststelling van het Reglement voor de Loodsdienst van de Republiek Suriname (,,Loodsdienstreglement 1977"). |
|
DE WND. PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, Op voordracht van de Minister van Openbare Werken en Verkeer. Gelet op artikel 20 van de ,Loodsdienstverordening" (G.B. 1947 No. 082); BESLUIT:
Gegeven
te Paramaribo, 10 juni 1977 De
Minister van Openbare Werken en Verkeer, Uitgegeven
te Paramaribo, 10 juni 1977De
Minister van Binnenlandse Zaken
Reglement voor de Loodsdienst van de Republiek Suriname. Artikel 1. De Loodsdienst ressorteert onder het Departement van Openbare Werken en Verkeer. De Iciding van de Loodsdienst berust bij het Hoofd van de Loodsdienst. Met het Hoofd van de Loodsdienst wordt bedoeld de Havenmeester. In
dit reglement wordt verstaan onder: Artitkel 2. Door het Hoofd, wordt een register bijgehouden waarin alle aangestelde loodsen (Seniorloodsen-doordien, Seniorloodsen le en 2e klasse, hulploodsen en loodsleerlingen) zijn ingeschreven, met namen en voornamen, dag en plaats van geboorte, datum van aanstelling, de bijzondere diensten door hen bewezen, beloningen daarvoor ontvangen, overtredingen en daarvoor opgelegde straffen, data van ontslag met ontslagredenen of van overlijden. Artikel 3.
De
loodsen zullen zich dagelijks in de morgenuren, voorzover de dienst het
toelaat, op het kantoor van het Haven- en Loodswezen moeten aanmelden, alwaar
een speciaal lokaal voor hen is ingericht.
Zij zullen het gebruikelijk presentieboek tekenen en zich vergewissen
van de vaargeulen, verplaatsing van bocien, scheepvaartbewegingen en alle
maatregelen genomen in het belang van de scheepvaart en van de veiligheid in
het bijzonder. Artikel 4. De loodsen (Seniorloodsen-doordien en Seniorloodsen le en 2e klasse, hulploodsen en loodsleerlingen), worden aangesteld volgens de algemene voor ambtenaren geldende regelingen. Loodsleerlingen moeten voldoen aan de bij beschikking van de Minister vast te stellen eisen voor toelating tot Loodsexamens.
De loodsleerlingen worden na geneeskundige keuring opgeleid bij de loods- en hydrografische dienst. De eisen worden bij beschikking door de Minister vastgesteld. Na met goed gevolg het admissie-examen voor loods te hebben afgelegd worden zij bij gebleken geschiktheid, naar gelang van de behoefte, bevorderd tot hulploods of loods 2e klasse. Artikel 5. Het Hoofd of diens vervanger of een ander door hem aangewezen ambtenaar kan de loodsen, hulploodsen en loodsleerlingen, nevens het beloodsen van schepen, andere werkzaamheden opdragen. Artikel 6. Alvorens voor een benoeming tot loods 2e klasse c.q. hulploods dan wel tot loodsleerling in aanmerking te komen, moet ten aanzien van betrokkene, worden overlegd:
Artikel 7. De
loodsen, hulploodsen en loodsleerlingen worden voor hun indiensttreding en
tijdens hun dienstperiode genceskundig onderzocht, volgens de omschrijving
vervat in B.B. No. 393. Artikel 8. De vereisten voor het loodsexamen worden bij afzonderlijke beschikking door de Minister vastgesteld. Artikel 9. Naar gelang van de behoeften van de dienst kunnen ook buiten de Loodsdienst staande personen tot loods worden aangesteld, mits zij naar het oordeel van het Hoofd voldoen aan de eisen van het loodsexamen. Artikel 10. Alvorens
tot de uitoefening van de Loodsdienst te worden aangewezen zijn de loodsen en
hulploodsen gehouden de navolgende ced (belofte) af te leggen: Artikel 11. De loodsen en hulploodsen moeten, wanneer zij tot het beloodsen van schepen zijn aangewezen, voorzien zijn van hun akte van benoeming en van de ,Loodsdienstverordening" (G.B. 1947 No. 82), alsmede een exemplaar van dit reglement. Artikel 12. De loodsen, hulploodsen of loodsleerlingen, dragen in diensttijd een uniform als voorgeschreven bij beschikking van de Minister. Artikel 13. De loodsen, hulploodsen en loodsleerlingen, aan, wic als disciplinaire maatregel gedurende cen bepaalde of onbepaalde tijd het i,echt is ontnomen de loodsdienst uit te oefenen, of aan wie ontslag uit de dienst is verleend, zijn verplicht hun akte van benoeming, wettelijke regeling en reglementen af te geven aan het Hoofd. Artikel 14. De bezoldigingen en pensioenen worden geregeld volgens de voor ambtenaren geldende regelingen. Artikel 15. Het personeel van de Loodsdienst heeft vrije geneeskundige behandeling en verpleging voorzover de betreffende wettelijke voorschriften zulks inhouden. Artikel 16. De
loodsen, hulploodsen of loodsleerlingen zullen onverminderd de regelingen,
welke bij ambtenaren-reglement voor ambtenaren zijn of zullen worden gesteld
de gegeven bevelen met ijver en getrouw nakomen en de geldende
dienstvoorschriften stipt opvolgen. Artikel 17. Het is aan de loodsen en hulploodsen en loodsleerlingen verboden:
Het gebruik van sterke drank in dienst is verboden.Van dronkenschap in dienst zal in de regel ontslag uit de dienst het gevolg zijn. Artikel 18. Indien door een tot dit personeel behorende persoon middelijk of onmiddellijk schade aan de Staat wordt toegebracht, welke aan opzet, schuld of nalatigheid is te wijten, kan de Raad van Ministers bepalen, dat de schade geheel of gedeeltelijk op de betrokkene zal worden verhaald, ongeacht de eventueel tegen hem in te stellen strafvervolging. Onverminderd de bestaande of in het leven te roepen wettelijke regelingen, betreffende het opleggen van de verplichting tot schadevergoeding zal daartoe eerst worden besloten nadat door een door de Minister benoemde commissie advies over de schuld en het bedrag der op te leggen vergoeding is uitgebracht. Artikel 19. Wanneer door verzuim of onachtzaamheid van een loods, een schip aan de grond vaart, schade bekomt of toebrengt, of wanneer hi.i in strijd handelt met de voorschriften van dit reglement of de door het Hoofd gegeven dienstbevelen niet of niet naar behoren nakomt, kan de betrokkene disciplinair gestraft worden ongeacht cen eventueel tegen hem in te stellen strafvervolging. Artikel 20. De
loodsen geven acht op de juiste ligging der lichtboeien, tonnen of bakens.
Zo zij mochten bespeuren, dat lichtboeien, tonnen of bakens zijn
vermist of verdreven, geven zij daarvan dadelijk kennis aan het Hoofd en doen
hiervan melding op het loodsformulier. Artikel 21. Het is aan het personeel van de Loodsdienst verboden passagiers of goederen te vervoeren zonder toestemming van het Hoofd of zich aan smokkelarij schuldig te maken. Artikel 22. Het
loodsen van schepen wordt door het Hoofd geregeld. Artikel 23. ledere loods, na volbrachte loodsreis op de standplaats aankomende, is verplicht zich zo spoedig mogelijk bij het Hoofd aldaar te melden, daarbij zijn loodscertificaat en loodsrapport in te dienen, alsook het in artikel 37 genoemde uitklaringsbewijs en zich te gedragen naar de bepalingen dienaangaande door het Hoofd vastgesteld. Artikel 24. Het
is het personnel van de Loodsdienst verboden om, onder welk voorwendsel ook,
aan boord van enig schip, al ware het in nood, te komen tegen de wil van de
kapitein of van de aan boord gebleven schepelingen. Artikel 25. Indien een schip gedurende de loodsreis aan de grond geraakt is en door hulp van anderen weder vlot gebracht wordt en voor die hulp een beloning wordt toegekend, mag de loods, die het aan de grond geraakte schip geloodst heeft, onder geen voorwendsel in dat hulploon delen. Artikel 26. De
loods deelt de kapitein mede, dat op de reden en in de zeegaten, rivieren of
havens geen ballast, olie, gruis van steenkolen, as of ander afval overboard
geworpen mag worden, en dat de ankers voor gebruik gereed moeten zijn. Artikel 27. Na
volbrachte loodsreis is de kapitein verplicht het hem door de loods aan te
bieden certificaat, ten bewijze, dat het schip naar behoren is geloodst in te
vullen en te tekenen. Artike1 28. De
kapitein - zomede andere opvarenden - zijn gehouden zich jegens de loods
beleefd en behoorlijk te gedragen. Artikel 29. De
loodsen zijn wegwijzers en raadgevers van de kapiteins. Artikel 30. De
loodsen zijn verplicht bij aan boord komen van het door hen te loodsen schip,
onderzoek te doen naar de naam van :het schip, van waar het komt en
waarheen.zijn bestemming is, alsmede naar alle verdere bijzonderheden, welke
van belang zijn te weten. Artikel 31. De
loodsen zijn verplicht de kapiteins der binnenkomende koopvaardijschepen te
vragen of en zo ja, welke hoeveelheid buskruit of andere ontplofbare stoffen
zij aan boord hebben en daarvan dadelijk
kennis te geven aan de betrokken autoriteiten, onverminderd de bij de
wettelijke regeling omtrent het vervoer van buskruit of andere ontplofbare
stoffen voorgeschreven verplichtingen. Artikel 32. Bij
hun aankomst aan boord zijn de loodsen verplicht in overleg met de kapitein
de plaats te bepalen, waar het schip zich bevindt. Artikel 33. Indien
de kapitein de raadgevingen van de loods niet opvolgt, is de loods voor de
daaruit ontstane gevolgen niet verantwoordelijk. Artikel 34. Zonder
bewilliging van de kapiteins mogen de loodsen het door hen geloodste schip
nict verlaten, voordat het veilig gekomen is ter plaatse waarheen zij
verplicht zijn het schip te loodsen. Artikel 35. De loodsen zijn verplicht de kapitein aanwijzingen te geven, ten aanzien van de geschiktste manoeuvres met het schip te maken om het langszij komen van enig vaartuig van de Loodsdienst, de beambten van politie, de in- en uitgaande rechten, de geneeskundi,ge dienst, het Haven- en Loodswezen, enz. gemakkelijk te maken. Artikel 36. Het
is de loodsen niet geoorloofd hun medewerking te verlenen bij het doorvaren
van schepen, die nog nict ingeklaard zijn, tenzij hiertoe verlof is gegeven
of stormweer of andere buitengewone omstandigheden hiertoe dwingen. Artikel 37. Na.volbrachte loodsreis, biedt de loods de kapitein het (de) loodscertifica(a)t(en) ter invulling en ondertekening aan. De loods overtuigt zich, dat de invulling en ondertekening naar behoren zijn geschied, tekent daarna eveneens het certificaat onder vermelding van de door hem opgenomen diepgang en geeft het af aan het Hoofd, onmiddelijk na beeindiging van elke opdracht. Artikel 38. De regeling ten aanzien van de loodsen in dit reglement gesteld, betreffen ook de hulploodsen, indien zij zelfstandig optreden. |