|
LANDSVERORDENING van 3 mei l968 tot vaststelling van de,Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee |
|
IN NAAM DER KONINGIN! DE GOUVERNEUR VAN SURINAME, In overweging genomen hebbende:
dat
door de Internationale Conferentie ter beveiliging van mensenlevens
op zee op 17 juni 1960 te Londen zijn
vastgesteld ,,Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee", welke door het Koninkrijk zijn
aanvaard; Artikel I Vastgesteld worden de "Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee" en het daarbij behorende "Aanhangsel", zoals opgenomen in de Bijlage van deze landsverordening. Artikel II In de "Verordening van 30 juni 1897 (G.B. No. 22, geldende tekst G.B. 1951 No. 165), houdende gewijzigde bepalingen ter voorkorning van aanvaringen op zee en op de rivieren, stromen, kanalen, reden, havenmonden en zeegaten van Suriname en tot vaststelling van seinen voor schepen die in nood of gevaar verkeren of een loods verlangen", worden de navolgende wijzigingen aangebracht: A. In het intitulé vervallen de woorden: "op zee" en. B. In artikel 1 vervalt de zinsnede: "voor zoveel die op zee betreft". C. In artikel 30, eerste lid, vervallen de woorden: "zee of ander breed vaarwater in zee of ander". D. Artikel 43 vervalt. Artikel III Deze landsverordening treedt in werking met ingang van de dag na die der uitgifte van het Gouvernements- blad, waarin de afkondiging is geschied, en werkt terug tot 1 september 1965. Gegeven
te Paramaribo, de 3de mei 1968. De
Minister van Justitie en Politie, De
Minister van Bouwwerken, Verkeer en Waterstaat, Uitgegeven te Paramaribo, de 3de mei 1968.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
BIJLAGE
BEPALINGEN TER VOORKOMING VAN AANVARINGEN OP ZEE:
Deel A - Inleiding en omschrijvingen Artikel 1 (a) De bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee moeten worden nageleefd door alle vaartuigen en watervliegtuigen in volle zee en op alle wateren, die daarmede in verbinding staan en bevaarbaar zijn voor zeeschepen, behoudens het bepaalde in artikel 30. Wanneer watervliegtuigen tengevolge van hun bijzondere bouw niet ten volle kunnen voldoen aan de voorschriften vervat in de artikelen, die het voeren van lichten en figuren aangeven, moeten deze voorschriften zoveel als de omstandigheden toelaten, worden nageleefd. (b) De artikelen betreffende de lichten zijn van toepassing bij elke weersgesteldheid van zonsondergang tot zonsopkomst en gedurende die tijd mogen geen andere lichten worden getoond die voor de voor de voorgeschrevene kunnen worden aangezien, de zichtbaarheid of kenbaarheid daarvan verminderen, of het houden van goede uitkijk belemmeren. De in deze artikelen voorgeschreven lichten mogen eveneens worden getoond van zonsopkomst tot zonsondergang bij beperkt zicht en in alle andere omstandigheden wanneer zulks noodzakelijk wordt geacht. (c) In de volgende artikelen, behalve waar het zinsverband anders vereist:
Deel B - Lichten en figuren Artikel 2 (a) Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat varende is, moet voeren:
b) Een watervliegtuig moet, varende op het water, voeren:
Artikel 3 (a) Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat een ander vaartuig of watervliegtuig sleept of duwt, moet behalve zijn boordlichten twee witte lichten voeren, het ene loodrecht onder het andere met niet minder dan 1,83 meter (6 voet) tussenruimte. Wanneer het sleept en de lengte van de sleep, gerekend van het hek van het slepende vaartuig tot het hek van het achterste gesleepte vaartuig of watervliegtuig groter is dan 183 meter (600 voet), moet het behalve zijn boordlichten drie witte lichten loodrecht onder elkaar voeren, zodanig, dat het bovenste en het onderste licht op dezelfde afstand van en niet minder dan 1,83 meter (6 voet) boven respectievelijk onder het middelste licht zijn geplaatst. Elk dezer lichten moet van gelijke inrichting zijn en dezelfde licht- sterkte hebben als het witte licht, voorgeschreven in artikel 2 (a) (i) en één van deze lichten moet op dezelfde plaats als dit licht worden gevoerd. Geen dezer lichten mag worden gevoerd op een hoogte van minder dan 4,27 meter (14 voet) boven de romp. Aan boord van vaartuigen met één mast mogen de witte lichten aan de mast worden gevoerd. (b) Het slepende vaartuig moet ook hetzij het heklicht, voorgeschreven in artikel 10, hetzij in plaats van dat licht een wit licht van geringe lichtsterkte achter de schoorsteen of de achtermast tonen ten behoeve van het sturen door de sleep, doch dit licht mag niet voorliiker dan dwars zichtbaar zijn, (c) Van zonsopkomst tot zonsondergang moet een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat slepende is, wanneer de lengte van de sleep groter is dan 183 meter (600 voet), daar waar deze het best kan worden gezien, een zwarte ruitvormige figuur met een middellijn van niet minder dan 0,61 meter (2 voet) voeren. (d)
Een watervliegtuig op het water, dat één of meer watervliegtuigen
of vaartuigen sleept, met de lichten voeren, voorgeschreven in
artikel 2 (b) (i), (ii) en (iii) en bovendien een tweede wit licht
van gelijke inrichting en lichtsterkte als het witte licht,
voorgeschreven in artikel 2 (b) (i) vertikaal boven of Artikel 4 (a) Een vaartuig, waarmede niet kan worden gemanoeuvreerd, moet daar waar zij het best kunnen worden gezien en, indien het een werktuiglijk voortbewogen vaartuig is, instede van de in artkel 2 (a) (i) en (i)) voorgeschreven lichten, twee rode lichten voeren, het ene loodrecht onder het andere met niet minder dan 1,83 meter (6 voet) tussenruimte, van zodanige inrichting en lichtsterkte, dat zij over de gehele horizon op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn. Overdag moet dit vaartuig, daar waar zij het best kunnen worden gezien, twee zwarte ballen 1), elk met een middellijn van niet minder dan 0,61meter (2 voet), voeren, de één loodrecht onder de ander met niet minder dan 1,83 meter (6 voet) tussenruimte. (b) Een watervliegtuig op het water, waarmede niet kan worden gemanoeuvreerd, mag daar waar zij het best kunnen worden gezien en instede van het in artikel 2 (b) (i) voorgeschreven licht, twee rode lichten voeren, het ene loodrecht onder het andere, met niet minder dan 0,91 meter (3 voet) tussenruimte, van zodanige inrichting en lichsterkte, dat zij over de gehele horizon op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn. Overdag mag dit watervliegtuig, daar waar zij het best kunnen worden gezien, twee zwarte ballen 1), elk met een middellijn van niet minder dan 0,61 meter (2 voet), voeren, de één loodrecht onder de ander met niet minder dan 0,91 meter (3 voet) tussenruimte. (c) Een vaartuig, bezig met het leggen of lichten van een onderzeese kabel of van een navigatiemerk. of een vaartuig, bezig met hydrografisch opnemen of met onderwater-werkzaamheden, of een vaartuig, bezig met bevoorraden op zee of met het starten of landen van vliegtuigen moet, indien het door de aard van het werk niet voor naderende vaartuigen uit de weg kan gaan, instede van de lichten, voorge- schreven in artikel 2 (a) (i) en (ii) of in artikel 7 (a) (i), drie lichten loodrecht onder elkaar voeren, zodanig, dat het bovenste en het onderste licht op dezelfde afstand van en niet minder dan 1,83 meter (6 voet) boven respectievelijk onder het middelste licht zijn geplaatst. Het hoogste en het laagste van deze lichten moeten rood en het middelste licht moet wit zijn; zij moeten van zodanige inrichting en lichtsterkte zijn, dat zij over de gehele horizon op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn. Overdag moet zulk een vaartuig, daar waar zij het best kunnen worden gezien, drie figuren, elk met een middellijn van niet rninder dan 0,61 meter (2 voet), loodrecht onder elkaar voeren, met onderlinge tussenruimten van niet minder dan 1,83 meter (6 voet). De bovenste en de onderste moeten bolvormig en rood van kleur, de middelste figuur ruitvormig en wit zijn. (d)
(e) De vaartuigen en watervliegtuigen in dit artikel bedoeld mogen, wanneer zij geen vaart door het water lopen, noch de boordlichten noch het heklicht tonen, maar moeten deze lichten tonen wanneer zij vaart lopen. (f) De lichten en figuren in dit artikel voorgeschreven, moeten door andere vaartuigen en watervliegtuigen worden opgevat als seinen, dat het vaartuig of water- vliegtuig, dat deze toont, niet kan manoeuvreren en dus niet kan uitwijken. (g) Deze seinen dienen niet voor vaartuigen in nood, die hulp verlangen. Noodseinen wordenvermeld in artikel 31. Artikel 5 (a) Een zeilvaartuig, dat varende is, en elk vaartuig of watervliegtuig, dat gesleept wordt, moet dezelfde lichten voeren als in artikel 2 voor een werktuiglijk voortbewogen vaartuig of watervliegtuig, dat varende is, zijn voorgeschreven, met uitzondering van de daarin voorgeschreven witte lichten, die zij nimmer mogen voeren. Zij moeten tevens het heklicht, als voorgeschreven in artikel 10, voeren, met dien verstande dat gesleepte vaartuigen, behalve het laatste vaartuig van een sleep, in de plaats van dit heklicht een wit licht van geringe lichtsterkte, als voorgeschreven in artikel 3 (b), mogen voeren. (b) Een zeilvaartuig mag, in aanvulling op de lichten voorgeschreven onder (a) van dit artikel, in de top van de fokkemast twee lichten voeren, het éne loodrecht onder het andere en op voldoende afstand van elkaar om duidelijk te kunnen worden onderscheiden. Het bovenste licht moet rood en het onderste moet groen zijn. Beide lichten moeten ingericht en geplaatst zijn als voorgeschreven in artikel 2 (a) (1) en moeten op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn. (c) Een vaartuig, dat voortgeduwd wordt, moet voorop aan stuurboord een groen licht en voorop aan bakboord een rood licht voeren, beide lichten van dezelfde soort als de lichten voorgeschreven in artikel 2 (a) (iv) en (v) en afgeschermd als omschreven in artikel 2 (a) (vi), met dien verstande dat een aantal vaartuigen voortgeduwd in één groep, deze lichten moet tonen alsof het één enkel vaartuig is. (d) Van zonsopkomst tot zonsondergang moet een vaartuig, dat gesleept wordt, wanneer de lengte van de sleep groter is dan 183 meter (600 voet), daar waar deze het best kan worden gezien, een zwarte ruitvormige figuur met een middellijn van niet minder dan 0,61 meter (2 voet), voeren. Artikel 6 (a) Wanneer ten gevolge van slecht weer of om andere gegronde redenen de groene en rode boordlichten niet vast kunnen worden opgesteld, moeten deze lichten aangestoken en voor onmiddellijk gebruik gereed worden gehouden en, wanneer een ander vaartuig nadert of genaderd wordt, aan hun respectieve zijden, tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, worden getoond op zodanige wijze, dat zij het best zichtbaar zijn en dat het groene licht niet aan bakboordszijde en het rood,,licht niet aan stuurboordszijde wordt gezien, zomede dat beide lichten aan hun respectievelijke zijden, voor zoveel dit praktisch mogelijk is, niet meer dan 221½ graden (2 streken) achterlijker dan dwars zichtbaar zijn.zij doen schijnen, zijn geschilderd en van doelmatige schermen zijn voorzien. Artikel 7 Werktuiglijk voortbewogen vaartuigen met een lengte kleiner dan 19,80 meter (65 voet), vaartuigen voortbewogen door riemen of zeilen met een lengte kleiner dan 12,19 meter (40 voet) en roeiboten, die varende zijn, zijn niet verplicht de lichten voorgeschreven in de artikelen 2, 3 en 5 te voeren, doch wanneer zij deze niet voeren, moeten zij voorzien zijn van de navolgende lichten: (a) Werktuiglijk voortbewogen vaartuigen met een lengte kleiner dan 19,80 meter (65 voet) moeten behoudens het bepaalde onder (b) en (c) van dit artikel voeren;
(b) Werktujglijk voortbewogen vaartuigen met een lengte kleiner dan 19,80 meter (65 voet), die een ander vaartuig slepen of duwen, moeten voeren:
(c) Werktuigliik voortbewogen vaartuigen met een lengte kleiner dan 12,19 meter (40 voet) mogen het witte licht voeren op minder dan 2,74 meter (9 voet) boven het potdeksel, maar het moet worden gevoerd op niet minder dan 0,91 meter (3 voet) boven de boordlichten of de samengestelde lantaarn, voorgeschreven in (a) (ii) van dit artikel. (d) Vaartuigen voortbewogen door riemen of zeilen, met een lengte kleiner dan 12,19 rneter (40 voet), moeten, behoudens het bepaalde onder (f) van dit artikel, wanneer zii de boordlichten niet voeren, daar waar deze het best kan worden gezien, een lantaarn voeren, welke lantaarn aan de ene zijde een groen en aan de andere zijde een rood licht doet schijnen van zodanige lichtsterkte, dat deze op een afstand van ten minste 1 zeemijl zichtbaar zijn en zo geplaatst, dat het groene licht niet aan bakboordszijde en het rode licht niet aan stuurboordszijde wordt gezien. Indien het niet mogelijk is deze lantaarn vast op te stellen, moet zij aangestoken en voor onmiddellijk gebruik gereed worden gehouden en tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen worden getoond op zodanige wijze, dat het groene licht niet aan bakboordszijde en het rode licht niet aan stuurboordszijde wordt gezien. (e) De in dit artikel bedoelde vaartuigen moeten, wanneer zij gesleept worden, de boordlichten, de samengestelde lantaarn, of de lantaarn voeren, voorgeschreven in - al naar toepasselijk - (a) (ii) of (d) van dit artikel en een heklicht als voorgeschreven in artikel 10 of behalve het laatste vaartuig van de sleep, een wit licht van Perinee lichtsterkte als voorgeschreven in (b) (ii) van dit artikel. Wanneer zij voortgeduwd worden, moeten zij voorop de boordlichten, de samengestelde lantaarn, of de lantaarn voeren, voorgeschreven in - al naar toepasselijk - (a) (ii) of (d) van dit artikel, met in één groep, deze lichten moeten voeren alsof het één enkel, in dit artikel bedoeld, vaartuig is, tenzij de totale lengte van de groep groter is dan 19,80 meter (65 voet), in welk geval de voorschriften van artikel 5 (c) moeten worden toegepast. (f) Kleine roeiboten, waarmede geroeid of gezeild wordt, kunnen volstaan met het gereedhouden van een elektrische lamp of een aangestoken lantaarn, gevende een wit licht, welke lamp of lantaarn, tijdig genoeg om aanvaring te voorkoinen, moet worden getoond. (g) De in dit artikel bedoelde vaartuigen en boten behoeven de in artikel 4 (a) en in artikel 11 (c) voorgeschreven lichten of figuren niet te voeren. De afmeting van hun dagmerken mag kleiner zijn dan in de artikelen 4 (c) en 11 (c) is voorgeschreven. Artikel 8 (a) Een werktuiglijk voortbewogen loodsvaartuig, dat loodsdienst verricht of kan verrichten en varende is:
(b) Een zeilloodsvaartuig, dat loodsdienst verricht of kan verrichten en varende is:
(c) Een loodsvaartuig, dat loodsdienst verricht of kan verrichten, doch niet varende is, moet de lichten voeren en de stakellichten tonen, die zijn voorgeschreven in - al naar toepasselijk - (a) (i) en (iii) of (b) (i) en (iii) van dit artikel en het moet, ten anker liggende ook de ankerlichten, voorgeschreven in artikel 11 voeren. (d) Een loodsvaartuig, dat geen loodsdienst kan verrichten, moet de lichten of figuren voor een vaartuig van zijn soort en lengte voeren. Artikel 9 (a) Vissersvaartuigen, die niet bezig zijn met de uitoefening van de visserij, moeten de lichten en figuren voor vaartuigen van hun soort en lengte tonen. (b) Vaartuigen, bezig met de uitoefening van de visserij, moeten zowel wanneer zij varende zijn als wanneer zij ten anker liggen, uitsluitend de in dit artikel voorgeschreven lichten en figuren tonen. Deze lichten en figuren moeten op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn. (c)
(d) Vaartuigen, bezig met de uitoefening van de visserij, uitgezonderd vaartuigen bezig met de treilvisserij, moeten de lichten voorgeschreven in (c) (i) van dit artikel voeren, met dien verstande dat het bovenste van de twee loodrecht onder elkaar geplaatste lichten rood moet zijn. Deze vaartuigen mogen, indien hun lengte kleiner is dan 12,19 meter (40 voet), het rode licht op een hoogte van niet minder dan 2,74 meter (9 voet) boven het potdeksel en het witte licht niet minder dan 0,91 meter (3 voet) onder het rode licht, voeren. (e) Vaartuigen bedoeld onder (c) en (d) van dit artikel moeten, wanneer zij vaart door het water lopen, de boordlichten of de lantaarns, voorgeschreven in - al naar toepasselijk - artikel 2 (a) (iv) en (v) of artikel 7 (a) (ii) of (d) en het heklicht, voorgeschreven in artikel 10 voeren. Wanneer zij geen vaart door het water lopen, mogen zij noch de boordlichten noch het heklicht tonen. (f) Vaartuigen bedoeld onder (d) van dit artikel, waarvan het vistuig, horizontaal gerekend, meerdan 153 meter (500 voet) in zee uitstaat, moeten bovendien een rondom zichtbaar wit licht voeren in de richting van het uitstaande vistuig, op een horizontale afstand van niet minder dan 1,83 meter (6 voet) en niet meer dan 6,10 meter (20 voet) verwijderd van de loodrecht onder elkaar geplaatste lichten Dit witte licht mag niet hoger zijn geplaatst dan het witte licht voorgeschreven in (c) (i) van dit artikel en niet lager dan de boordlichten. (g) Behalve de lichten, die zij ingevolge dit artikel moeten voeren, mogen vaartuigen bezig met de uitoefening van de visserij, indien dit nodig is om de aandacht van een naderend vaartuig te trekken, een stakellicht bezigen, dan wel hun zoeklicht laten schijnen in de richting van een gevaar dat een naderend vaartuig bedreigt, zonder daardoor andere vaartuigen te hinderen. Werklichten mogen ook worden gebruikt, doch daarbij dient te worden bedacht, dat bijzonder heldere of onvoldoend afgeschermde werklichten de zichtbaarheid en het kenmerkende karakter van de in dit artikel voorgeschreven lichten ongunstig kunnen beinvloeden. (h) Overdag moeten vaartuigen, bezig met de uitoefening van de visserij, dit kenbaar maken door het tonen, daar waar deze het best kan worden gezien, van een zwarte figuur, bestaande uit twee kegels, elk met een grondvlak van niet minder dan 0,61 meter (2 voet) middellijn, met de punten tegen elkaar, de ene loodrecht onder de andere. Deze vaartuigen mogen, indien hun lengte kleiner is dan 19,80 meter (65 voet), deze zwarte figuur vervangen door een mand. Indien hun vistuig, horizontaal gerekend, meer dan 153 meter (500 voet) in zee uitstaat, moeten vaartuigen, bezig met de uitoefening van de visserij, bovendien, in de richting van het uitstaande vistuig, een zwarte kegel met de punt naar boven tonen. NOOT: Vaartuigen vissende met sleeplijnen, zijn niet "bezig met de uitoefening van de visserij" in de zin van artikel 1 (c) (xiv). Artikel 10 (a) Behalve wanneer in deze artikelen anders is bepaald, moet een vaartuig, dat varende is, op het achterschip een wit licht voeren, zodanig ingericht dat het over een boog van de horizon van 135 graden (12 kompasstreken) ononderbroken schijnt en zo geplaatst, dat het licht werpt van recht achteruit over 671/2 graden (6 streken) naar elke zijde van het vaartuig. Dit licht moet op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn. (b) lndien het aan boord van een. klein vaartuig, tengevolge van slecht weer of om een andere gegronde reden niet mogelijk is dit licht vast op te stellen, moet een elektrische lamp of een aangestoken lantaarn gevende een wit licht voor gebruik gereed bij de hand worden gehouden, dat bij nadering van een oplopend vaartuig, tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, moet worden getoond. (c) Een watervliegtuig op het water moet, wanneer het varende is, aan de staart een wit licht voeren, zodanig ingericht, dat het over een boog van de horizon van 140 graden ononderbroken schijnt en zo geplaatst, dat het licht werpt van recht achteruit over 70 graden naar elke zijde van het watervliegtuig. Dit licht moet op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn. Artikel 11 (a) Een vaartuig met een lengte kleiner dan 45,75 meter (150 voet) moet, ten anker liggende, op het voorschip daar waar dit het best kan worden gezien, een wit licht voeren, dat over de gehele horizon op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar is. Een dergelijk vaartuig mag voorts een tweede wit licht, op de plaats voorgeschreven in (b) van dit artikel voeren, doch het behoeft dit niet te doen. Het tweede witte licht moet, wanneer het wordt gevoerd, op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn en zo geplaatst, dat het over een zo groot mogelijke boog van de horizon zichtbaar is. (b) Een vaartuig met een lengte van 45,75 meter (150 voet) of groter moet, ten anker liggende, nabij de voorsteven op een hoogte van niet minder dan 6,10 meter (20 voet) boven de romp, zulk een wit licht voeren en aan of bij het hek van het vaartuig op een hoogte van niet minder dan 4,57 meter (15 voet) lager dan het voorste, een tweede dergelijk licht. Beide lichten moeten op een afstand van ten minste 3 zeemijlen zichtbaar zijn en zo geplaatst, dat zij over een zo groot mogelijke boog van de horizon zichtbaar zijn. (c) Tussen zonsopkomst en zonsondergang moet elk ten anker liggend vaartuig op het voorschip, daar waar deze het best kan worden gezien, een zwarte bal met een middellijn van niet minder dan 0,61 meter (2 voet) voeren. (d) Een vaartuig, bezig met het leggen of lichten van een onderzeese kabel of van een navigatiemerk, of een vaartuig, bezig met hydrografisch opnemen of met onderwater-werkzaamheden, moet, ten anker liggende, de lichten of de figuren, voorgeschreven in artikel 4 (c) voeren en bovendien die, voorgeschreven in de toepasselijk voorafgaande leden van dit artikeL (e) Een vaartuig, dat aan de grond zit, moet het licht of de lichten, voorgeschreven in (a) of (b) van dit artikel en de twee rode lichten, voorgeschreven in artikel 4 (a), voeren. Overdag moet dit vaartuig, daar waar zij het best kunnen worden gezien, 3 zwarte ballen, elk met een middellijn van niet minder dan 0,61 meter (2 voet), loodrecht onder elkaar op een afstand van niet minder dan .1,83 meter (6 voet) van elkaar voeren. (f) Een watervliegtuig op het water met een lengte kleiner dan 45,75 meter (150 voet) moet, ten anker liggende, daar waar dit het best kan worden gezien, een wit licht voeren, dat over de gehele horizon op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar is. (g) Ben wateryliegtuig op het water met een lengte van 45,75 meter (150 voet) of groter moet, ten anker liggende, daar waar deze het best kunnen worden gezien, een wit licht vooruit en een wit licht achteruit voeren; beide lichten moeten over de gehele horizon op een afstand van ten minste 3 zeemijlen zichtbaar zijn. lndien het watervliegtuig een spanwijdte van meer dan 45,75 meter (150 voet) heeft, moet het bovendien een wit licht aan elke zijde voeren om de maximum wijdte aan te geven; deze lichten moeten voorzover uitvoerbaar over de gehele horizon op een afstand van ten minste 1 zeemijl zichtbaar zijn. (h) Een watervliegtuig, dat aan de grond zit, moet een ankerlicht of de ankerlichten voeren als voorgeschreven in (f) en (g) van dit artikel en het mag bovendien twee rode lichten voeren, het ene loodrecht onder het andere op een onderlinge afstand van ten minste 0,91 meter (3 voet), zo geplaatst, dat zij over de gehele horizon zichtbaar zijn. Artikel 12 Elk vaartuig of watervliegtuig op het water mag, indien nodig om de aandacht te trekken, behalve de lichten die het krachtens deze artikelen voeren moet, een stakellicht tonen of gebruik maken van een knalsein of ander doeltreffend geluidsein, hetwelk niet voor een ander, elders in deze artikelen voorgeschreven, sein kan worden gehouden. Artikel 13 (a) Niets in deze artikelen verzet zich tegen het toepassen van bijzondere bepalingen, door de Regering van enig land gemaakt met betrekking tot het bezigen van aanvullende positie- en seinlichten voor oorlogsschepen, voor vaartuigen in convooi, voor vissersvaartuigen bezig met de uitoefening van de visserij in vlootverband of voor watervliegtuigen op het water. (b) Indien de betrokken Regering van mening is dat een oorlogsschip of ander militair vaartuig of watervliegtuig van bijzondere constructie of bestemd voor bijzondere doeleinden, met betrekking tot het aantal, de plaats en de zichtbaarheid van lichten of figuren, zomede de boog waarover de lichten moeten schijnen, niet volledig kan voldoen aan de voorschriften van één of meer dezer artikelen zonder de militaire functie van het vaartuig of van het watervliegtuig te storen, moet zulk een vaartuig of watervliegtuig voor zoveel betreft het aantal, de plaats en de zichtbaarheid van lichten of figuren, zomede de boog waarover de lichten moeten schijnen, voldoen aan andere voorschijften, die de Regering voor dat vaartuig of watervliegtuig het meest overeenkomende met deze artikelen acht te zijn. Artikel 14 Een vaartuig, dat onder zeil is doch tevens werktuiglijk wordt voortbewogen, moet overdag vooruit, daar waar deze ,het best kan worden gezien, een zwarte kegel met een grondvlak van niet minder dan 0,61 meter (2 voet) middellijn, met de punt naar beneden, voeren.
Deel C-Geluidseinen en gedrag bij beperkt zicht Inleiding (1)
Het beschikken over inlichtingen, verkregen door
middel van radar, ontheft geen enkel vaartuig van de verplichting
zich strikt te houden aan de voorschriften van de Bepalingen ter
voorkoming van aanvaringen op zee, in het bijzonder aan de
verplichtingen, vervat in de artikelen 15 en 16. Artikel 15 (a) Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig met een lengte van 12,19 meter (40 voet) of groter, moet voorzien zijn van een deugdelijke fluit, werkend door middel van stoom of een stoomvervangend middel, zo geplaatst, dat het geluid niet door enige hindernis wordt onderschept, van een deugdelijke werktuiglijk gedreven misthoorn en van een deugdelijke klok. Een zeilvaartuig met een lengte van 12,19 meter (40 voet) of groter, moet voorzien zijn van een soortgelijke misthoorn en klok. (b) Alle seinen, in dit artikel voorgeschreven voor vaartuigen die varende zijn, moeten worden gegeven:
(c) Gedurende mist, nevelachtig weer, sneeuwval, zware regenbuien of elke andere toestand, die op soortgelijke wijze het zicht beperkt, moeten zowel overdag als des nachts de in dit artikel voorgeschreven seinen als volgt worden gegeven:
(a) Elk vaartuig of elk zich op het water voort- bewegend watervliegtuig moet gedurende mist, nevelachtig weer, sneeuwval, zware regenbuien of elke andere toestand, die op soortgelijke wijze het zicht beperkt, een matige vaart lopen, daarbij zorgvuldig rekening houdende met de bestaande omstandigheden en toestanden. (b) Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat - naar het meent voorlijker dan dwars - het mistsein hoort van een vaartuig, waarvan het de positie niet met zekerheid kent, moet voor zoveel de omstandig- heden dit toelaten de machines stoppen en vervolgens voorzichtig manoeuvreren tot het gevaar voor aanvaring is geweken. (c) Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat de aanwezigheid van een ander vaartuig voorlijker dan dwars bemerkt voordat het daarvan het mistsein hoort of dit vaartuig met het oog waarneemt, mag vroegtijdige en drastische maatregelen nemen teneinde te voorkomen dat men elkaar te dicht nadert, doch, wanneer zulks niet kan worden vermeden, moet het, voor zover de omstandigheden dit toelaten, de machines tijdig stoppen om een aanvaring te voorkomen en vervolgens voorzichtig manoeuvreren tot het gevaar voor aanvaring is geweken.
Deel D - Regelen betreffende het uitwijken Inleiding (1) Elke handeling, waartoe ingevolge deze artikelen of tengevolge van hun uitlegging wordt besloten, moet duidelijk zijn en ruim bijtijds worden genomen met behoorlijke inachtneming van de eisen van goede zeemanschap. (2) Gevaar voor aanvaring kan, indien de omstandig- heden het toelaten, worden vastgesteld door zorgvuldig de kompaspeiling van een naderend vaartuig te volgen. Verandert de peiling niet noemenswaard, dan moet worden aangenomen, dat gevaar voor aanvaring bestaat. (3) Zeevarenden moeten bedenken, dat watervliegtuigen bij het landen of opstijgen, of manoeuvrerende onder ongunstige weersomstandigheden, in de onmogelijkheld kunnen verkeren hun voorgenomen manoeuvre op het laatste ogenblik te veranderen. (4) De artikelen 17 tot en met 24 zijn alleen van toepassing op vaartuigen in zicht van elkaar. Artikel 17 (a) Wanneer twee werktuiglijk voortbewogen vaartuigen dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet één van beide ultwijken en wel als volgt:
(b) In dit artikel moet onder de loefzijde worden verstaan de andere zijde dan die, waarover het grootzeil wordt gevoerd of, in geval van een vierkant getuigd vaartuig de andere zijde dan die, waarover het grootste langsscheepse zeil bijstaat. Artikel 18 (a) Wanneer twee werktuiglijk voortbewogen vaartuigen recht of bijna recht tegen elkaar insturen, zodanig dat zulks gevaar voor aanvaring medebrengt, moeten beide naar stuurboord van koers veranderen, zodat zij elkaar aan bakboordszijde voorbij varen. Dit artikel is alleen van toepassing in gevallen, dat vaartuigen zodanig recht of bijna recht tegen elkaar insturen, dat zulks gevaar voor aanvaring medebrengt en is niet van toepassing op twee vaartuigen, die, indien zij beide hun koers vervolgen, met zekerheid van elkaar vrij lopen. Deze gevallen komen derhalve alleen voor, wanneer elk van de beide vaartuigen recht of bijna recht tegen het andere in ligt, met andere woorden, wanneer overdag elk vaartuig de masten van het andere vaartuig met zijn eigen masten in één lijn of nagenoeg in één lijn ziet,, of wanneer des nachts elk vaartuig zich in zodanige positie bevindt, dat het de beide boordlichten van het andere vaartuig ziet. Dit artikel is niet van toepassing indien overdag een vaartuig een ander recht vooruit ziet, waarvan de koers de zijne kruist, noch indien des nachts het rode licht van het ene vaartuig gekeerd is naar het rode licht van het andere of het groene licht van het ene vaartuig gekeerd is naar het groene licht van het andere, noch indien des nachts een rood licht zonder een groen licht of een groen licht zonder een rood licht recht vooruit wordt gezien of de beide gekleurde lichten in een andere richting dan recht vooruit worden gezien. (b) Voor de toepassing van dit artikel en van de artikelen 19 tot en met 29, met uitzondering van artikel 20 (c) en artikel 28, moet een watervliegtuig op het water als een vaartuig worden beschouwd en moet de uitdrukking "werktuiglijk voortbewogen vaartuig" dienovereenkomstig worden uitgelegd. Artikel 19 Wanneer de koersen van twee werktuiglijk voortbewogen vaartuigen elkaar kruisen, zodanig dat zulks gevaar voor aanvaring medebrengt, moet het vaartuig dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft, uitwijken voor het andere vaartuig. Artikel 20 (a) Wanneer een werktuiglijk voortbewogen vaartuig en. een zeilvaartuig zodanige koersen sturen, dat deze gevaar voor aanvaring medebrengen, moet het werktuiglijk voortbewogen vaartuig uitwijken voor het zeilvaartuig, behalve in de gevallen aangegeven in de artikelen 24 en 26. (b) Dit artikel geeft echter een zeilvaartuig niet het recht in een nauw vaarwater de veilige doorvaart van een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat alleen in de vaargeul kan varen, tebelemmeren. (c) Een watervliegtuig op het water moet in het algemeen goed vrij blijven van alle vaartuigen en vermijden hun navigatie te hinderen. Wanneer er echter gevaar voor aanvaring bestaat, moet het de regelen betreffende het uitwijken naleven. Artikel 21 Wanneer
ingevolge deze artikelen één van beide vaartuigen moet uitwijken,
moet het andere zijn koers en vaart behouden. Artikel 22 Elk vaartuig, dat volgens deze artikelen verplicht is uit te wijken voor een ander vaartuig, moet, voor zover dit mogelijk is, duidelijk en vroegtijdig handelen teneinde aan deze verplichting te voldoen en moet, wanneer de omstandigheden het toelaten, vermijden vóór het andere over te lopen. Artikel 23 Elk werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat volgens deze artikelen verplicht is uit te wijken voor een ander vaartuig, moet, wanneer het dit andere vaartuig nadert, zo nodig zijn vaart verminderen, stoppen of achteruitslaan. Artikel 24 (a) Onafhankelijk van hetgeen in deze artikelen is voorgeschreven moet elk vaartuig, dat een ander vaartuig oploopt, uitwijken voor het opgelopen vaartuig. (b) Elk vaartuig, dat een ander vaartuig uit een richting van meer dan 22½ graden (2 streken) achterlijker dan dwars nadert, dat wil zeggen in zodanige positie met betrekking, tot het opgelopen vaartuig, dat het des nachts geen van de beide boordlichten van dat vaartuig zou kunnen zien, wordt geacht een oplopend vaartuig te zijn; geen daaropvolgende verandering van de peiling tussen de twee vaartuigen kan het oplopende vaartuig maken tot een koerskruisend vaartuig als in deze artikelen bedoeld, of het ontslaan van de plicht om voor het opgelopen vaartuig ult te wijken, totdat het er geheel voorbij en vrij van is. (c) Indien het naderende vaartuig niet met zekerheid kan vaststellen of het zich v66r dan wel achter bovengenoemde richting van het andere vaartuig bevindt, moet het zich als een oplopend vaartuig beschouwen en uitwijken. Artikel 25 (a) In een nauw vaarwater moet elk werktuiglijk voortbewogen vaartuig, indien het de richting van het vaarwater volgt, zo dit uitvoerbaar is en veilig kan geschieden, die zijde van het vaarwater houden, welke aan zijn stuurboordszijde ligt. (b) Wanneer een werktuiglijk voortbewogen vaartuig een bocht in een vaarwater nadert waar een ander vaartuig, van de tegenovergestelde richting komende, niet kan worden gezien, moet zulk een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, wanneer het op een halve (l/2) zeemijl afstand van de bocht is gekomen, één lange stoot op de fluit geven, welk sein door elk naderend werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat zich rond de bocht bevindt en het sein hoort, met eenzelfde sein moet worden beantwoord. Zulk een bocht moet, ongeacht het feit of een aan de andere zijde van de bocht naderend vaartuig al dan niet wordt gehoord, met waakzaamheid en voorzichtigheid worden gerond. (c) In een nauw vaarwater mag een werktuiglijk voortbewogen vaartuig met een lengte kleiner dan 19,80 meter (65 voet), de veilige doorvaart van een vaartuig, dat alleen in de vaargeul kan varen, niet belemmeren. Artikel 26 Alle vaartuigen, die niet bezig zijn met de uitoefening van de visserij, uitgezonderd vaartuigen waarop de voorschriften van artikel 4 van toepassing zijn, moeten, indien zij varende zijn, uit de weg blijven van vaartuigen, bezig met de uitoefening van de visserij. Dit artikel geeft aan een vaartuig, bezig met de ultoefening van de visserij, niet het recht om een vaarwater, dat door niet-vissende vaartuigen gebezigd wordt, te versperren. Artikel 27 Bij het naleven en uitleggen van deze artikelen moet behoorlijk acht worden gegeven op alle gevaren van de navigatie en voor aanvaring en op de bijzondere omstandigheden, de beperkte manoeuvreervaardig- heid van de betrokken vaartuigen inbegrepen, die ter voorkoming van onmiddellijk gevaar een afwijken van de bovenstaande artikelen noodzakelijk kunnen maken.
Deel E - Geluidseinen voor vaartuigen, die in zicht van elkaar zijn Artikel 28 (a) Wanneer vaartuigen in zicht van elkaar zijn, moet een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat varende is, indien het handelt zoals in deze artikelen is toegestaan of voorgeschreven. deze handeling kenbaar maken door de volgende seinen met zijn fluit, te weten:
(b) In alle gevallen, waarin een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, dat volgens deze artikelen zijn koers en vaart moet behouden in zicht is van een ander vaartuig en twijfelt of dat andere vaartuig voldoende handelingen verricht om een aanvaring te voorkomen, mag het die twijfel kenbaar maken door een sein van ten minste 5 korte stoten op de fluit in snelle opeenvolging. het geven van dit sein ontheft het vaartuig niet van zijn verplichtingen vervat in de artikelen 27 en 29 of in enig ander artikel, noch van zijn plicht elke handeling volgens deze artikelen aan te duiden door het geven van de daartoe bestemde, in dit artikel voorgeschreven. geluidseinen. (c) Elk in dit artikel genoemd fluitsein mag daarenboven worden aangeduid door een met het mechanisme van de fluit gesynchr6niseerd visueel sein, bestaande uit een wit licht dat zichtbaar is over de gehele horizon op een afstand van ten minste 9 zeemijlen en even lang brandt en zichtbaar blijft als het fluitsein duurt. (d)
Niets in deze artikelen verzet zich tegen het toepassen van
bijzondere bepalingen door de Regering van enig land gemaakt met
betrekking tot het gebruiken van aanvullende fluitseinen tussen
oorlogschepen of vaartuigen in convooi. Deel F – Diversen Artikel 29 Niets in deze artikelen ontheft een vaartuig, zijn reder, kapitein of bemanning van de aansprakelijk- heid voor de gevolgen van elke nalatigheid in het voeren van lichten, in het geven van seinen of in het houden van goede uitkijk, dan wel van verontacht- zaming van eike voorzorgsmaatregel, die volgens het gewone zeemansgebruik of door de bijzondere omstandigheden, waarin zich het vaartuig bevindt, is geboden. Artikel 30 Voorbehoud ten aanzien van voorschriften voor de scheepvaart in havens en op binnenwateren Niets in deze artikelen verzet zich tegen het toepassen van bijzondere bepalingen, door de ter plaatse bevoegde autoriteiten gemaakt met betrekking tot de vaart in havens, op rivieren en meren of op binnenwateren, met inbegrip van gereserveerde watergebieden voor watervliegtuigen. Artikel 31 Noodseinen (a) Wanneer een vaartuig of een watervliegtuig op het water in nood verkeert en hulp verlangt van andere vaartuigen of van de wal, moet het de volgende seinen, hetzij gezamenlijk, hetzij afzonderlijk, geven of tonen, te weten:
NOOT: Vaartuigen in nood mogen het radiotelegrafie- alarmsein of het radiotelefonie-alarmsein bezigen om de aandacht te vestigen op noodoproepen en -berichten. Het radiotelegrafie-alarmsein, dat bestemd is om de auto-alarmtoestellen van daarmede uitgeruste vaartuigen in werking te stellen, bestaat uit een serie van 12 strepen in 1 minuut uitgezonden, elke streep van 4 seconden duur en een pauze tussen 2 opeen- volgende strepen van 1 seconde. Het radiotelefonie-alarmsein bestaat uit 2 tonne, die beurtelings gedurende ten minste 30 seconden en ten hoogste 1 minuut worden uitgezonden. (b)
Het is verboden vorengenoemde seinen te gebruiken anders dan om aan
te geven, dat een
AANHANGSEL Aanbevelingen betreffende het gebruik van met behulp van radar verkregen inlichtingen, als hulpniiddel ter voorkoming vanaanvaringen op zee (1) Het trekken van conclusies op grond van onvoldoende inlichtingen kan gevaarlijk zijn en moet daarom worden vermeden. (2) Een vaartuig, varende bij beperkt zicht met behulp van radar, moet overeenkomstig het voorschrift, vervat in artikel 16 (a), een matige vaart lopen. Informatie, met behulp van radar verkregen, vormt één van de omstandigheden, waarmede bij het bepalen van de matige vaart rekening moet worden gehouden. In dit verband dient te worden bedacht, dat kleine vaartuigen, kleine ijsbergen en dergelijke drijvende objecten, wellicht niet met behulp van radar worden opgemerkt. Radaraanduidingen, die wijzen op de nabijheid van één of meer vaartuigen, kunnen betekenen, dat ,,matige vaart" langzamer behoort te zijn dan een zeevarende, die geen radar aan boord heeft, onder de gegeven omstandigheden als matig zou kunnen beschouwen. (3) Varende bij beperkt zicht geven de met behulp van radar verkregen afstand en peiling a1léén niet voldoende zekerheid omtrent de positie van het andere vaartuig - zoals bedoeld in artikel 16 (b) - om een vaartuig te ontheffen van de verplichting de machines te stoppen en voorzichtig te manoeuvre- ren, wanneer voorlijker dan dwars een mistsein wordt gehoord. (4) Wanneer, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 (c), maatregelen zijn genomen om te vermijden dat men elkaar te dicht nadert, is het beslist noodzakelijk zich ervan te vergewissen, dat die maatregelen ook het gewenste resultaat hebben.Bij veranderingen van koers of van vaart, dan wel van beide, moet de zeevarende zich laten leiden door de omstandigheden van het ogenblik. (5)
Een koersverandering a1léén kan de meest doeltreffende maatregel
zijn om te vermijden dat men
(6) Bij de keuze naar welke zijde de koers dient te worden veranderd, moet de zeevarende zich laten leiden door de omstandigheden van het ogenblik. Een koersverandering naar stuurboord, vooral wanneer vaartuigen, naar het zich laat aanzien, elkaar op tegengestelde of nagenoeg tegengestelde koersen naderen, verdient in het algemeen de voorkeur boven een koersverandering naar bakboord. (7) Een verandering van vaart, hetzij alleen, hetzij gecombineerd met een verandering van koers, moet drastiseh zijn. Een aantal kleine veranderingen van vaart moet worden vermeden. (8) Wanneer direct gevaar dreigt, dat vaartuigen elkaar te dicht naderen, kan de verstandigste maatregel zijn, de vaart geheel uit het schip te halen. |