R E S 0 L U T I E van 14 December 1951 No. 6144a bepalende de plaatsing in het Gouvernementsblad van de thans geldende tekst van de Verordening van 30 Juni 1897 (G. B. No. 22), houdende gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen of aandrijvingen op zee en op de rivieren, stromen, kanalen, reden, havenmonden en zeegaten van Suriname en tot vaststelling van seinen voor schepen die in nood of gevaar verkeren of een loods verlangen.

DE GOUVERNEUR VAN SURINAME,

HOOFD VAN DE LANDSREGERING,

Op voordracht van de Landsminister van Justitie en Politie;

Gelet op:

a. artikel II van de landsverordening van 20 Maart 1951 (G.B. No. 36);

b. de landsverordening van 28 Juli 1947 (G. B. No. 113), houdende voorschriften met betrekking tot de schrijfwijze van de Nederlandse taal;

Besluit:

Te bepalen dat de verordening van 30 Juni 1897 (G. B. 22), houdende gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen of aandrijvingen op zee en op de rivieren, stromen, kanalen, reden, havenmonden en zeegaten van Suriname en tot vaststelling van seinen voor schepen die in nood of gevaar verkeren of een loods verlangen, zoals zij luidt na wijziging bij G. B.1915 No. 78, G. B. 1949 No. 72 en G. B. 1951 No. 36 benevens afschrift van deze resolutie in het Gouvernementsblad zal worden opgenomen.

Paramaribo, 14 December 1951
J. KLAASESZ.

De Landsminister van Justitie en Politie,
                ALBERGA.

De Landsminister van Openbare Werken en Verkeer,
SMIT.

Uitgegeven te Paramaribo, de 21ste December 1951.
De Landsminister van Binnenlandse Zaken,
J.A. DRIELSMA.                  

 

 

 

Tekst van de Verordening van 30 Juni 1897 (G. B. No. 22), gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen of aandrijvingen op zee en op de rivieren, stromen, kanalen, redden, havenmonden en zeegaten van Suriname en tot vaststellen voor schepen die in nood of gevaar verkeren of loods verlangen, zoals zij luidt na wijziging bij G. B. 5 No. 78, G. B. 1949 No. 72 en G. B. 1951 No. 36.

 

Algemene Bepalingen.

 

Artikel 1.   (*)

Ter voorkoming van aanvaringen of aandrijvingen worden, voorzoveel die op zee betreft, door de in Suriname te huis behorende stoom- en zeilvaartuigen, en voorzoveel die op de rivieren, stromen, kanalen, reden, havenmonden en zeegaten van Suriname betreft, door alle stoom-, zeil- en andere vaartuigen, de volgende voorschriften in acht genomen.

 

Artikel 2.   (*)

1. Deze voorschriften gelden voor al de in het vorige artikel genoemde waterwegen, welke voor het publiek verkeer dienen.

2. Bij de toepassing wordt:
een stoomvaartuig, hetwelk onder zeil en niet onder stoom is, beschouwd als zeilvaartuig; en elk vaartuig onder stoom, ook al is het tegelijk onder zeil, als stoomvaartuig ;
Onder ,stoomvaartuig" verstaan, elk vaartuig dat werktuigelijk wordt voortbewogen;
een vaartuig als ,varende" beschouwd, wanneer het niet ten anker is, noch vastgemaakt is aan de wal, noch aan de grond zit.

(*)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

 

Voorschriften omtrent het voeren van lichten, enz.

 

Artikel 3.

1. De voorschriften betreffende de lichten moeten bij elke weersgesteldheid van zonsondergang tot zonsopgang worden opgevolgd ; gedurend die tijd mogen geen andere lichten, welke aangezien kunnen worden voor de voorgeschrevene, getoond worden.

2. De uitdrukkingen ,,zichtbaar" in deze voorschriften ten opzicht van lichten gebezigd, betekent zichtbaar bij donkere nacht en heldere dampkring.

 

Artikel 4.

1. Een stoomvaartuig moet, wanneer het varende is, voeren:

a. aan of voor de fokkemast, of, bij gebreke van een fokke mast, voor op het vaartuig, op een hoogte boven de romp van niet minder dan 6 meter, en indien het vaartuig meer dan 6 meter breed is, op een hoogte boven de romp van tenminste die breedte, met dien verstande echter, dat het licht niet hoger boven de romp gevoerd behoeft te worden dan 12 meter, een helder wit licht, zodanig ingericht dat het een onafgebroken licht do schijnen over een boog van de horizon van 20 kompasstreken, en zodanig geplaatst dat het licht werpt over 10 kompasstreken ter weerszijden van het vaartuig, te weten van recht v66ruit tot 2 streken achterlijker dan dwars aan elke zijde. Het licht moet op een afstand van tenminste 5 zeemijlen (van 60 in 1 graad) zichtbaar zijn;

b. aan stuurboordzijde een groen licht, zodanig ingericht dat het een onafgebroken licht doet schijnen over een boog van de horizon van.10 kompasstreken, en zodanig geplaatst dat het licht werpt van recht v66ruit tot 2 streken achterlijker dan dwars aan die zijde. Het licht moet op een afstand van tenminste 2 zeemijlen (van 60 in 1 graad) zichtbaar zijn.

c. aan bakboordszijde een rood licht, zodanig ingericht dat het een onafgebroken licht doet schijnen over een boog van horizon van 10 kompasstreken, en zodanig geplaatst dat het licht werpt van recht v66ruit tot 2 streken achterlijker dan dwars aan die zijde. Het licht moet op een afstand van tenminste 2 zeemijlen (van 60 in 1 graad) zichtbaar zijn.

2. De genoemde groene en rode zijdelichten moeten aan de binnenzijde voorzien zijn van schermen, die tot een afstand van 9 decimeter van het voorvlak van de lantaarn naar voren doorlopen en zo gesteld zijn dat zij beletten dat het bakboords- of rode licht aan stuurboordszijde en het stuurboords- of groene licht aan bakboordszijde gezien wordt.

3. Een stoomvaartuig, dat varende is, mag bovendien een tweede wit licht voeren, van dezelfde inrichting als het eerste lid sub a genoemde. Deze twee lichten moeten zodanig in één richting met de kiel geplaatst worden, dat het een tenminste 4½ meter hoger is dan het andere, en in zodanige onderlinge positie dat het lagere licht v66r het hogere is geplaatst. De verticale afstand tussen deze twee lichten moet kleiner zijn dan de horizontale.

 

Artikel 5.    ( *)

1. Een stoomvaartuig, een ander vaartuig slepende, moet, behalve zijn zijdelichten twee heldere witte lichten loodrecht boven elkander voeren, met tenminste 18 decimeter tussenruimte, en indien het meer dan één vaartuig sleept, en de lengte van de sleep, gerekend van het hek van het vaartuig dat sleept, tot het hek van het achterste gesleepte vaartuig, meer dan 180 meter bedraagt, moet het nog een derde helder wit licht voeren 13 decimeter boven of beneden de reeds genoemde lichten.

2. Elk dezer lichten moet van gelijke inrichting en sterkte en geplaatst zijn als het witte licht genoemd in art 4 lid 1 sub a, met uitzondering van het derde licht, hetwelk gevoerd moet worden op een hoogte van niet minder dan 4 meter boven de romp.

3. Ten behoeve van het sturen op het gesleept wordende vaartuig mag het slepende stoomvaartuig, achter de schoorsteen of de achterste mast, een klein wit licht voeren, doch dit licht mag niet voorlijker dan dwars zichtbaar zijn.

4. Een stoomvaartuig dat een of meer vaartuigen duwt moet 18 decimeter boven de reeds genoemde twee witte toplichten een groen licht voeren van dezelfde inrichting en van zodanige sterkte, dat het zichtbaar is op een afstand van tenminste 3 zeemijlen (van 60 in 1 graad). De zijdelichten moeten op de grootste breedte van de sleep worden geplaatst en moeten van dezelfde inrichting en sterkte zijn als de in art. 4 lid 1 sub b en c genoemde lichten.

5. Op de uiterste punt v66r van de sleep moet een helder wit licht gevoerd worden, zodanig ingericht dat zij licht werpt van recht vooruit tot twee streken achterlijker dan dwars aan weerszijden van de sleep.

(*)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

 

Artikel 5a.

De sleepboot waarmede een of meer vaartuigen worden gesleept, moet krachtig genoeg zijn om met de sleep te allen tijde goed te kunnen manoeuvreren.,

 

Artikel 5b  (**)

In bochtige vaarwaters, waar het uitzicht belemmerd wordt mogen zeeschepen van zonsondercrang tot zonsopkomst niet gesleept worden.

Artikel 5c  (**)

In nauwe vaarwaters mogen vaartuigen niet naast elkander gesleept worden, wanneer de breedte van de sleep meer dan 1/3 van het vaarwater bedraagt.

 

Artikel 6.  (**)

a. Een vaartuig, waarmede tengevolge van enig ongeval niet gemanoeuvreerd kan worden, moet op dezelfde hoogte als in het in art 4 lid 1 sub a  (***) genoemde witte licht, daar waar zij het best kunnen gezien worden en wanneer het een stoomvaartuig is, in plaats van dit licht twee rode lichten loodrecht boven elkaar met een tussenruimte van tenminste 18 decimeter voeren, zodanig ingericht dat zij over de gehele wereld horizon zichtbaar, zijn op een afstand van tenminste 2 zeemijlen (van 60 in 1 graad). Bij dag moet zodanig vaartuig daar, waar zij het best gezien kunnen worden, voeren twee zwarte ballen of figuren elk 6 decimeter in middellijn, de één loodrecht boven de ander, met een tussenruimte van tenminste 18 decimeter.

b. Een vaartuig, bezig zijnde met het leggen of lichten een telegraaf- of telefoonkabel, of een vaartuig bezig met hydrografisch opnemen of met onder water werkzaamheden het door de aard van het werk niet voor naderende vaartuigen, uit de weg kan gaan, moet ter plaatse van het in art. 4 lid 1 sub a *') bedoelde wittelicht, en wanneer het een stoomvaartuig is, in plaats van dat licht, drie lichten loodrecht boven elkander en met een onderlinge tussenruimte van tenminste 18 decimeter voeren. Het hoogste en het laagste van deze lichten moeten rood en het middelste wit zijn ; zij moeten zodanig zijn ingericht, dat zij over de gehele horizon zichtbaar zijn op een afstand van tenminste 2 zeemijlen (van 60 in 1 graad). Bij dag moet zodanig vaartuig, daar waar zij het best gezien kunnen worden, drie figuren van tenminste 6 decimeter middellijn loodrecht boven elkander en met een onderlinge tussenruimte van tenminste 18 decimeter voeren. De bovenste en onderste figuren moeten bolvormig en rood van kleur, de middelste ruitvormig en wit van kleur zijn.

c. De vaartuigen, waarover in dit artikel gehandeld wordt, mogen, wanneer zij geen vaart lopen, de zijdelichten niet voeren, maar moeten die lichten voeren wanneer zij vaart lopen.

d. De lichten en figuren, bij dit artikel voorgeschreven, zijn voor andere vaartuigen het teken, dat het vaartuig dat ze voert niet kan manoeuvreren en dus niet uit de weg kan gaan.

Deze signalen zijn niet die, welke gedaan moeten worden wanneer vaartuigen in nood verkeren en hulp nodig hebben. Laatstbedoelde zijn vermeld in art. 41.

(**)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

(***)  Lees artikel 4 eerste lid sub a

 

Artikel 7.

Een zeilvaartuig, dat varende is, en elk vaartuig hetwelk gesleept wordt, moet dezelfde lichten voeren, als voor een stoomvaartuig dat varende is, in art. 4 zijn voorgeschreven, met uitzondering van de in dat artikel genoemde witte lichten, welke het nimmer mag voeren.

 

Artikel 8.

1.Wanneer, zoals dit bij slecht weder op kleine vaartuigen die varende zijn, kan voorkomen, de groene en rode zijdelichten niet vastgezet kunnen worden, moeten deze lichten aangestoken en klaar tot gebruik bij de hand worden gehouden, en indien een ander vaartuig nadert of indien het zelf in de nabijheid van een ander vaartuig komt, aan hun respectieve zijden, tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen getoond worden op zodanige wijze dat zij het best zichtbaar zijn ; het groene licht mag niet aan bakboord, het rode niet aan stuurboord, en beide lichten mogen aan hun respectieve zijden zoveel doenlijk niet meer dan twee streken achterlijker dan dwars zichtbaar zijn. 2. Om het gebruik dezer draagbare lichten zo zeker en gemakkelijk mogelijk te maken, moet elke lantaarn uitwendig geverfd zijn met de kleur van het licht dat zij doet schijnen en bovendien voorzien zijn van een doelmatig scherm.

 

Artikel 9.    (*)

1. Stoomvaartuigen van minder dan 40, vaartuigen, voortbewogen door middel van riemen of zeilen, van minder dan 20 ton (van 2.83 m3) bruto inhoud en roeiboten zijn, wanneer zij varende zijn, niet verplicht de lichten te voeren in art. 4a, b en c vermeld ; zij moeten echter, wanneer zij die lichten niet voeren, voorzien van de volgende lichten :

1) stoomvaartuigen van minder dan 40 ton (van 2.83 m3) bruto inhoud, moeten voeren:

a. Voor op het vaartuig, of aan, of voor de schoorsteen,. waar dit het best gezien kan worden, en op een hoogte boven het potdeksel van tenminste 27 decimeter, een helder wit licht, ingericht en geplaatst op de wijze als voorgeschreven in art. 4a en van zodanige sterkte dat het zichtbaar is op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (van 60 in I graad).

b. Groene en rode zijdelichten, ingericht en geplaatst als voorgeschreven in art. 4 b en c, en van zodanige sterkte dat zij zichtbaar zijn op een afstand van tenminste 1 zeemijl (van 60 in 1 graad), of een samengestelde lantaarn, tonende aan de daarvoor aangewezen zijden van het vaartuig groen en rood licht van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars . Deze lantaarn moet tenminste 9 decimeter beneden het wiite licht gevoerd worden.

2) Kleine vaartuigen die werktuigelijk worden voortbewogen of stoomsloepen, zoals die aan boord van zeeschepen gevoerd worden, mogen het witte licht op minder dan 27 decimeter boven het potdeksel voeren, doch in elk geval boven de onder 1 b bedoelde samengestelde lantaarn.

3) Vaartuigen, welke worden voortbewogen door middle van riemen of zeilen, van minder dan 20 ton (van 2.83 M3) bruto inhoud, moeten een lantaarn aangestoken gereed houden, met groen glas aan de ene en een rood glas aan de andere zijde. Deze lantaarn moet, indien een ander vaartuig nadert, of indien het zelf in de nabijlieid van een ander vaartuig komt, tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, getoond worden, zodanig, dat het groene licht niet aan bakboordszijde, en het rode licht niet aan stuurboodszijde gezien kan worden.

4) Roeiboten, hetzij daarmede geroeid of gezeild wordt, moeten een wit licht gevende lantaarn aangestoken gereed houden, welke nu en dan toch tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, getoond moet worden.

2. De in dit artikel bedoelde vaartuigen behoeven de in art. 6a en in art.15 laatste lid voor- geschreven lichten niet te voeren.

3. Bij het bevaren van rivieren, stromen enz. vallen de vaartuigen hierboven sub 3) en 4) genoemd echter onder de bepalingen van art. 10.

(*)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

 

Artikel 10.

1. Alle vaartuigen - overdekt zowel als onoverdekte-- geen stoom- of zeilvaartuigen, welke, voor de vaart op zee, noch stoomvaartuigen, welke voor de vaart op de rivieren gebruikt worden, zijnde - voeren, als zij onder zeil zijn of gesleept, gegroeid, gepareld, geboomd, getrokken worden of met het getij drijvende zijn, een helder lichtende lantaarn met witte glazen aan de grote top. 2). Vaartuigen zonder mast of met gestreken mast voeren die lantaarn zodanig dat zij van alle zijden goed zichtbaar is.

 

Artikel 11.  (*)

1. De in het vorig artikel bedoelde vaartuigen, in enig vaarwater ten anker of aan de wal liggende, zomede vissersvaartuigen, voor hun netten liggende, voeren alleen een helder wit licht ter plaatse, waar dit het best kan worden , maar niet hoger dan drie meter boven scheepsboord.

2. Vaartuigen zonder mast hangen dit licht voor aan de boeg of op een andere plaats waar dit van alle zijden goed kan worden gezien. 3. Deze bepaling is niet van toepassing op lo. aan de wal vastliggende roeivaartuigen; 2o. vaartuigen liggende in vaarwaters waarin de vaart gestremd is.

(*)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

 

Artikel 12   (*)

1. Vlotten van welke aard ook, onverschillig waar zij zich bevinden, of zij stil liggen dan wel in de vaart zijn, moeten, wanneer de lengte van het vlot minder dan 40 meter bedraagt, 2 heldere witte lichten voeren naast elkander gehesen met niet meer dan 4 en niet minder dan 2 meter tussenruimte en niet lager dan 4 meter boven het vlot, terwijl vlotten langer dan 40 meter zowel bij het voor- als bij het achtereinde aan de kant van het vaarwater 2 helder witte lichten moeten voeren, naast elkander gehesen, met niet meer dan 4 en niet minder dan 2 meter tussenruimte en niet lager dan 4 meter boven het vlot.

2, Deze lichten moeten rondom zichtbaar zijn op een afstand van tenminste 1 zeemijl.

(*) Opnieuw gelezen bij C.B. 1951 No. 36

 

Artikel 13.

1. Loodsvaartuigen, op hun kruisstation varende, moeten niet de lichten voeren welke voor andere vaartuigen zijn voorgeschreven. Zij moeten enkel aan de top van de mast een wit licht voeren dat rondom zichtbaar is.

2. Bovendien moeten zij met korte tussenpozen van ten hoogste 15 minuten 66n of meer schitterlichten vertonen.

3. Wanneer zij andere vaartuigen of andere vaartuigen hen op korte afstand naderen, moeten zij de, aangestoken en tot gebruik gereed zijnde, zijdelichten bij korte tussenpozen tonen, om de richting waarin zij sturen aan te geven, doch het groene licht mag niet aan bakboordszijde, en het rode niet aan stuurboordszijde getoond worden.

4. Een loodsvaartuig, dat langs zij van een vaartuig moet gaan, om een loods af te geven, mag het witte licht tonen, in plaats van het aan de mast te voeren, en mag, in stede van de bovengenoemde gekleurde lichten, een lantaarn tot gebruik gereed houden, met een groen glas aan de ene en een rood glas aan de andere zijde, teneinde die op de in art. 9 lid 3) omschreven wijze (*) te gebruiken.

5. Loodsvaartuigen, niet op hun kruisstation varende, moeten dezelfde lichten voeren als andere vaartuigen, van hun tonnenmaat.

(*) Bedoeld is lid 3 van artikel 9

 

Artikel 14.

1. Een vaartuig hetwelk door een ander wordt opgelopen, moet van het hek aan het oplopende vaartuig een wit licht of een schitterlicht tonen.

2. Het witte licht mag vast zijn en in een lantaarn gevoerd worden, doch in dat geval moet de lantaarn zodanig ingericht en van schermen voorzien zijn, dat zij een onafgebroken licht werpt over een boog van de horizon van 12 kompasstreken, namelijk 6 streken van recht achteruit aan elke zijde. Het licht moet op een afstand van tenminste 1 zeemijl (van 60 in 1 graad) zichtbaar zijn en zoveel mogelijk op gelijke hoogte als de zijdelichten gevoerd worden.

 

Artikel 15. (*)

1. Een vaartuig, ten anker of gemeerd zijnde, moet, wanneer het minder dan 45 meter lang is, vooruit, waar het het best kan worden gezien, evenwel niet hoger dan 6 meter boven de romp, een wit licht voeren in een lantaarn zodanig ingericht, dat zij een helder en onafgebroken licht verspreidt, rondom, op een afstand van tenminste 1 zeemijl (van 60 in 1 graad) zichtbaar. 

2. Een vaartuig van 45 meter lengte en daarboven, ten anker of gemeerd zijnde, moet twee zulke lichten voeren ; het een v66r op het vaartuig op een hoogte van niet minder dan 6 en niet meer dan 12 meter boven de romp ; het ander op of bij het hek van het vaartuig, tenminste 4.5 meter lager dan het voorste. 

3. Des daags moeten zeevaartuigen van 45 meter lengte en daarboven, indien zij ten anker liggen op het voorschip op een hoogte en plaats als in het eerste lid bedoeld, een zwarte bal voeren met een middellijn van ten minste 0.50 en ten hoogste 0.80 meter. Alle andere ten anker liggende vaartuigen mocren des daags bovenbedoeld dagmerk voeren. 

4. Als lengte van het vaartuig geldt de in de meetbrief aangegeven lengte. 

5. Een vaartuig, hetwelk in of nabij een vaarwater aan de grond zit, moet het licht of de lichten hierboven genoemd voeren, en bovendien de twee rode lichten voorgeschreven in art. 6a.

(*)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

 

Artikel 16.

Indien het nodig is om de aandacht te trekken, mag elk vaartuig, behalve de lichten welke het volgens deze voorschriften voeren moet, een schitterlicht tonen, of enig knalsein geven, hetwelk niet voor een noodsein kan gehouden worden.

 

Artikel 17.

Een stoomvaartuig moet, ingeval het uitsluitend onder zeil is, doch zijinschoorsteen op heeft, over dag, voor op het vaartuig een zwarte bal of figuur voeren van 6 decimeter middellljn, ter plaatse waar dezelve het best gezien kan worden.

 

Artikel 17a. (*)

1. Gierponten, zomede veerponten, die zich bewegen langs een dwars door het vaarwater gelegen of over het water gespannen kabel of draad, moeten, op een hoogte van tenminste 6 meter boven water, een helder groen licht en 1 meter loodrecht daaronder een helder wit licht voeren. Deze lichten moeten rondom zichtbaar zijn op een afstand van tenminste 1 zeemijl. 

2. Bij gierponten moet bovendien het bovenste schuitje of, indien inplaats van schuitjes boeien gebezigd worden, de bovenste boven water uitstekende boei een helder wit licht voeren, dat bij de schuitjes tenminste 3 meter boven water hangen. 

3. Stoomvaartuigen, dienstdoende als overzetveren aan een kabel, moeten behalve de in het eerste lid van dit genoemde lichten, de in artikel 4 onder b en c voorgeschreven boordlichten en het in artikel 14 genoemde heklicht voeren.

(*)  Ingevoegd bij G.B. 1951 No. 36

 

Artikel 17b. (*)

1. Vaartuigen, die buiten het eigenlijke vaarwater tegen de oever of in een haven, welke in open gemeenschap met het vaarwater staat, gemeerd liggen of aan de grond zitten en voor welke de golfslag, veroorzaakt door snel voorbij varende schepen, schade of onheil zou kunnen doen ontstaan, moeten tot teken daarvan vertonen des daags een rode vlag, des nachts 2 heldere rode lichten boven elkander gehesen, met een tussenruimte van tenminste 0.50 en ten hoogste 1 meter, rondom zichtbaar op een afstand van tenminste 1 zeemijl. 

2. Van voorbij gaande vaartuigen moet alsdan de vaart zoveel worden verminderd als nodig is om nadelige golfslag te voorkomen.

(*)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

 

Geluidseinen bij mist, enz.

 

Artikel 18. (*)

1. Alle seinen, in dit artikel voorgeschreven voor vaartuigen die varende zijn, moeten worden gegeven: lo. door ,stoomvaartuigen": op de stoomfluit of sirene; 
2o. door zeilvaartuigen en vaartuigen die gesleept worden op de misthoorn.

2. Onder ,Lange stoot" wordt in dit artikel verstaan een stoot van 4 tot 6 seconden duur.

3. Een stoomvaartuig van 40 ton (van 2.83 M3) bruto inhoud en daarboven moet voorzien zijn: van een krachtig geluidgevende stoomfluit of sirene, werkende door stoom of door enig middel hetwelk stoom vervangt en zodanig geplaatst dat het geluid niet door enig beletsel kan worden onderschept; 
van een deugdelijke misthoorn, waarvan het geluid op werktuigelijke wijze wordt voortgebracht ; en van een goed geluidgevende klok.

 4. Een stoom vaartuig van minder dan 40 ton (van 2.83 m3) bruto inhoud moet eveneens van een dergelijke stoomfluit en klok; en een zeilvaartuig van 20 ton (van 2.83 M3) bruto inhoud en daarboven van een dergelijke misthoorn en klok voorzien zijn. 

5. Ingeval van mist of nevelachtig weder, of bij zware regenbuien of bij elke andere toestand, die op gelijke wijze de zichtbaarheid vermindert, moeten, zowel bij dag als gedurende de nacht, de volgende seinen gegeven worden: 

a. Een stoomvaartuig, hetwelke vaart loopt, moet met tussenpozen van niet meer dan twee minuten één lange stoot geven. 

b. Een stoomvaartuig, dat varende is, moet, wanneer het gestopt ligt en geen vaart loopt, met tussenpozen van niet meer dan twee minuten, twee lange stoten met een tussenpoos van ongeveer één seconde geven. 

c. Een zeilvaartuig, dat varende is, moet met tussenpozen van niet meer dan één minuut één stoot geven als het over bakboord bij de wind ligt, twee stoten achter elkander als het over stuurboord bij de wind ligt en drie stoten achter elkander, als het de wind achterlijker dan dwars heeft. 

d.Een vaartuig, ten anker zijnde, moet met tussenpozen van niet minder dan één minuut gedurende ongeveer vijf seconden snel de klok luiden. 

e. Een vaartuig, dat een ander vaartuig sleept, een vaartuig, bezig zijnde met het leggen of lichten van een telegraaf- of telefoonkabel, een vaartuig bezig met het verrichten van hydrografische of onder water werkzaamheden als bedoeld in art. 6 lid b, en een vaartuig, hetwelk varende is, en voor een naderend vaartuig niet uit de weg kan gaan omdat er in het geheel niet, of niet volgens deze voorschriften mede gemanoeuvreerd kan worden, moet in plaats van de in dit artikel onder a en c voorgeschreven seinen, met tussenpozen van ten hoogste twee minuten, drie stoten geven, namelijk een lange stoot gevolgd door twee korte stoten. 

Een vaartuig, dat gesleept wordt,mag dit sein doch geen ander geven. 

6. Vaartuigen, als bedoeld in art.10, behoeven de boven voorgeschreven seinen niet te geven ; doch zijn, indien zij deze seinen niet geven, verplicht enig ander duidelijk geluidsein met tussenpozen van ten hoogste één minuut te geven. 

7. Vlotten moeten in dit geval praaien of elk ander geluid doen horen niet in strijd met bovengenoemde bepalingen, met tussenpozen van tenhoogste één minuut.

(*)  Ingevoegd bij G.B. 1951 No. 36

 

 

Vermindering van vaart bij mist, enz.

 

Artikel 19 (*)

1. Elk vaartuig moet bij mist, bij nevelachtig weder, bij zware regenbuien of bij elke andere toestand die op gelijke wijze de zichtbaarheid vermindert, met zorgvuldige inachtneming van de bestaande omstandigheden en toestanden, slechts een matige vaart lopen. 2. Een stoomvaartuig, dat vermeent voorlijker dan dwars het mistsein te horen van een vaartuig, waarvan de positie niet met zekerheid bekend is, moet voorzover de omstandigheden dit toelaten, de machines stoppen en voorzichtig manoeuvreren tot het gevaar van aanvaring geweken is. Bepalingen omtrent het uitwijken.

(*)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

 

Artikel 20.

Gevaar voor aanvaring kan, indien de omstandigheden het toelaten, bemerkt worden, door zorgvuldig de kompaspeiling van het naderende schip na te gaan. Verandert die peiling niet noemenswaard,dan moet aangenomen worden, dat er gevaar voor aanvaring bestaat.

 

Artikel 21.

Wanneer twee zeilvaartuigen elkander naderen, zodat gevaar voor aanvaring bestaat, moet een van beide wijken, waarbij de volgende regelen in acht genomen moeten worden: 

a. een vaartuig, dat met ruime wind zeilt, moet wijken voor een vaartuig, dat bij de wind zeilt ; 

b. een vaartuig, dat over stuurboord bij de wind ligt, moet wijken voor een vaartuig, dat over bakboord bij de wind ligt ; 

c. wanneer beide met ruime wind zeilen, doch over verschillende boegen liggen, dan moet het vaartuig dat over stuurboord ligt, wijken voor het vaartuig, dat over bakboord ligt; 

d. wanneer beide ruim zeilen, over dezelfde boeg liggende, dan moet het loefwaartse vaartuig wijken voor het lijwaartse 

e. een vaartuig, dat voor de wind zeilt, moet voor een ander vaartuig uit de weg gaan.

 

Artikel 22.

1. Indien twee stoomvaartuigen recht of bijna recht tegen elkander insturen, zodat gevaar voor aanvaring bestaat, moeten beide naar stuurboord uitwijken, zodat zij elkander aan bakboordszijde voorbijvaren. 

2. Dit artikel is alleen van toepassing in gevallen dat vaartuigen recht of bijna recht tegen elkander insturen en wel zo, dat gevaar voor aanvaring bestaat en is niet van toepassing op twee vaartuigen die, indien zij hun koersen vervolgen, van zelf van elkander zouden vrijlopen. 

3. Het is dus alleen van toepassing, wanneer elk der twee vaartuigen recht of bijna recht tegen het andere instuurt, met andere woorden, wanneer bij dag elk der twee vaartuigen de masten van het ander vaartuig met zijn eigen masten in één lijn of nagenoeg in één lijn heeft, of wanneer des nachts elk der twee vaartuigen de twee zijdelichten van het andere ziet. 

4. Het is niet van toepassing, wanneer bij dag een vaartuig een ander recht vooruit ziet, welks koers de zijne kruist, noch. wanneer bij nacht het rode licht van het ene vaartuig gekeerd is naar het rode licht van het andere, of het groene van het eene vaartuig gekeerd is naar het groene licht van het andere, noch wanneer bij nacht slechts één der gekleurde lichten recht uit gezien wordt of de beide gekleurde lichten in een andere richting dan recht vooruit gezien worden.

 

Artikel 23.

Des nachts moet elk vaartuig zonder onderscheid, dat een ander voor zich ziet, bijzonder waakzaam zijn en door scherpe uitkijk trachten zo spoedig mogelijk te ontdekken, welke koers het andere stuurt.

 

Artikel 24.

Indien de koersen van twee vaartuigen onder stoom elkander zodanig kruisen, dat er gevaar voor aanvaring bestaat moet het vaartuig, dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft, daarvoor uit de weg gaan.

 

Artikel 25. 

Wanneer een stoomvaartuig en een zeilvaartuig zodanige koersen volgen, dat er gevaar voor aanvaring bestaat, rnoet het stoomvaartuig voor het zeilvaartuig uit de weg gaan.

 

Artikel 26.

I. Wanneer,volgens deze bepalingen een der beide vaartuigen uit de weg moet gaan, moet het andere zijn koers en zijn vaart behouden. 

2. Wanneer echter tengevolge van dik weder of andere oorzaken het vaartuig, dat vaart moet houden, zich zo dicht bij het vaartuig, dat moet uitwijken bevindt, dat aanvaring door dit vaartuig alleen niet vermeden kan worden, zo zal het ook verplicht zijn zodanige maatregelen te nemen, als tot voorkoming der aanvaring kunnen bijdragen (artt. 37 en 39).

 

Artikel 27.

Elk vaartuig, dat volgens deze voorschriften verplicht is voor een ander vaartuig uit te wijken, moet, wanneer de omstandigheden het toelaten, vermijden om v66r het andere over te gaan.

 

Artikel 28.

Elk stoomvaartuig dat volgens deze voorschriften verplicht is voor een ander vaartuig uit te wijken, moet, wanneer het dit nadert, zo nodig zijn vaart verminderen, stoppen of achteruit slaan.

 

Artikel 29.

Het is verboden om met roei- en andere vaartuigen als bedoeld in art.10, stoomvaartuigen, die onder stoom zijn, voor de boeg te varen.

 

Artikel 30.  (*)

1. Onafhankelijk van hetgeen in deze voorschriften is voorgeschreven, moet elk vaartuig dat een ander vaartuig in zee of ander breed vaarwater in zee of ander breed vaarwater oploopt, voor het laatst genoemde uit de weg gaan. 

2. Als oplopend vaartuig wordt beschouwd elk vaartuig, dat een ander vaartuig in een richting van meer dan twee streken achterlijker dan dwars nadert, d.w.z. in zodanige positie, met betrekking tot het vaartuig dat opgelopen wordt, dat het des nachts geen van de zijdelichten van dat vaartuig zoude zien. 3. Geen daarop volgende verandering van de peiling tussen de twee vaartuigen zal het oplopende vaartuig volgens deze voorschriften tot een kruisend vaartuig kunnen maken, of het kunnen ontslaan van de plicht, om voor het andere vaartuig uit te wijken, totdat het laatstgenoemde geheel gepasseerd en er vrij van is. 

4. Daar men overdag op het oplopende vaartuig niet altijd met zekerheid kan weten of het v66r of achter de boven omschreven richting van het andere vaartuig is, moet het, ingeval van twijfel, zich als een oplopend vaartuig beschouwen en uit de weg gaan. 

5. Elk vaartuig dat een opgelopen vaartuig wil passeren moet dit op een afstand van tenminste 200 m te kennen geven door vier lange stoten. 

6. Het opgelopen vaartuig geeft dan te kennen aan welke zijde het oplopend vaartuig mag passeren, door het geven van een lange stoot, hetwelk betekent: U kunt mij aan stuurboordzijde passerenn, of twee lange stoten met ongeveer 1 seconden tussenpoos: U kunt mij aan bakboordzijde passeren. 

7. Het oplopend vaartuig moet wanneer de omstandigheden het niet toelaten om aan die zijde te passeren, dit te kennen geven door 7 korte stoten. 

8. Het opgelopen vaartuig dat het sein tot passeren geeft zal dan zodanige maatregelen treffen dat de handeling veilig kan geschieden. 

9. De in dit artikel gebezigde uitdrukking van lange stoot betekent een stoot van ongeveer 4 tot 6 seconden duur.

 

Artikel 30a  (*)

In nauwe vaarwaters moet, wanneer het uitvoerbaar is en veilig, kan geschieden, elk stoomvaartuig aan die zijde van het vaarwater houden dat aan stuurboordzijde van het vaartuig ligt.

(*)  Ingevoegd bij G.B. 1951 No. 36

 

Artikel 31.

Zeilvaartuigen, welke varende zijn, moeten uit de weg gaan voor vissersvaartuigen, voor hun netten liggende. Deze bepaling geeft echter aan laatstgenoemde vaartuigen geen recht om een vaarwater te versperren, dat door andere dan vissersvaartuigen gebezigd wordt.

 

Artikel 32,

(Vervallen bij G. B. 1951 No. 36) 

 

Artikel 33 (*)

1. Een klein vaartuig, als bedoeld in artikel 9 dat een ander vaartuig oploopt en wil voorbijvaren, geeft op een afstand van tenminste 70 meter genaderd daarvan kennis door te praaien of door de scheepsklok of stoomfluit te bezigen.

 2. Elk klein vaartuig, dat een ander oploopt, doch het niet wil of kan voorbijvaren, moet op een afstand van ten minste 200 meter van het opgelopen vaartuig verwijderd blijven.

 

Artikel 34

1. Bij ontmoeting in engten is het stroomopvarend vaartuig verplicht zijn vaart te verminderen. Wanneer die engte zo nauw is, dat niet ten minste 4 meter ruimte tussen de uitstekende delen der ontmoetende stoomvaartuigen zouden overblijven, moet het stroomopvarend stoomvaartuig de engte niet opvaren, maar het gaande houden tot het stroomafvarend vaartuig de engte gepasseerd is. 

2. De bepalingen in het voorgaande artikel (**) zijn eveneens toepasselijk op stromen door getij veroorzaakt. 

3. Een stoomvaartuig in een bochtig vaarwater varende, moet, wanneer het uitzicht zodanig is, dat een ander vaartuig niet tijdig kan worden gezien, één aangehouden stoot geven. Wanneer vaartuigen elkander in zodanige vaarwaters naderen, waar zij elkander niet kunnen zien, moeten zij, indien de omstandigheden het toelaten, hun vaart zodanig verminderen, stoppen of achteruit slaan tot dat overeenstemming is bereikt voor het passeren. Het schip, dat de gelegenheid tot passeren geeft, moet dit te kennen geven door drie lange stoten met tussenpozen van ongeveer 1 seconde duur; indien de mogelijkheid tot passeren niet bestaat, dus gevaar oplevert, 7 korte stoten met tussenpozen van ongeveer 1 seconde duur. 

4. De in dit artikel gebezigde uitdrukking van één aangehouden stoot, betekent een stoot van tenminste 10 seconden duur.

 

Artikel 35.  (*)

1.Stoomvaartuigen, welke vaartuigen of vlotten ontmoeten of voorbijvaren, voor welke de golfslag door de raderen of schroef veroorzaakt, gevaarlijk kan zijn, moeten zolang met verminderde kracht varen, totdat zij op een genoegzame afstand van die vaartuigen verwijderd zijn. 

2. Wanneer dusdanige vaartuigen of vlotten zo nabij het stoomvaartuig zijn, dat de golfslag zelfs bij verminderde kracht gevaarlijk is te achten, moet het stoomvaartuig zijn werktuigen geheel doen stilstaan, wanneer dit zonder gevaar voor eigen veiligheid kan plaats hebben. 

3. Vlotten mogen niet van zodanige afmetingen zijn, dat zij het vaarwater kunnen versperren.

(*)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

 

Artikel 35a.  (*)

Vlotten die afdrijven of gemeerd zijn in bochtige rivieren waarvan het uitzicht belemmerd is, moeten door middel van een klein vaartuig aan een tegenkomend vaartuig tijdig de aanwezigheid daarvan kenbaar maken door bij dag met een witte vlag en des nachts met een lantaarn heen en weer te zwaaien. 

 

Artikel 36.

Bij het brengen van passagiers en goederen aan boord van voorbijvarende stoomvaartuigen mogen de vaartuigen, welke. daartoe dienen, zich niet bij het stoomvaartuig begeven, v66r dat de werktuigen geheel stilstaan. Deze werktuigen mogen niet worden aangezet, alvorens bovengenoemde vaartuigen zich weder op voldoende afstand van het stoomvaartuig hebben verwijderd.

 

Artikel 37.

Bij het nakomen en uitvoeren dezer voorschriften moet men behoorlijk acht geven, zowel op de gevaren der navigatie en van aanvaring als op de eigenaardige omstandigheden, die ter voorkoming van onmiddellijk gevaar een afwijking van de bedoelde voorschriften noodzakelijk mochten maken.

 

Geluidseinen voor schepen die elkander zien. 

 

Artikel 38.

Een stoomvaartuig, dat varende is, moet, wanneer het overeenkomstig de vorenstaande bepalingen handelt, die handeling aan een ander in het zicht zijnd vaartuig door de volgende seinen met de stoomfluit of sirene kenbaar maken. 

Eén korte stoot betekent : Ik wijk naar stuurboord uit; 

Twee korte stoten betekenen: Ik wijk naar bakboord uit; 

Drie korte stoten betekenen: Ik sla volle kracht achteruit; 

De uitdrukking ,korte stoot" in dit artikel gebezigd, betekent een stoot van ongeveer één seconde duur.

 

Voorschrift om nimmer de vereiste voorzichtigheid uit het oog te verliezen.

 

Artikel 39.

De bovenvermelde voorschriften ontheffen noch het vaartuig, noch zijn eigenaar, gezagvoerder of bemanning van de verantwoordelijkheid voor de gevolgen, welke mochten voortvloeien uit enige nalatigheid in het voeren van lichten, in het geven van seinen, het houden van goede uitkijk of uit veronachtzaming van die maatregelen van voorzorg, welke volgens het gewone zeemansgebruik of naar aanleiding van bijzondere omstandigheden behoren genomen te worden.

 

Voorbehoud ten opzichte van reglementen voor havens of binnenwateren.

 

Artikel 40.

De inhoud dezer voorschriften belet niet de handhaving van bijzondere bepalingen met betrekking tot bepaalde havens, rivieren of binnenwateren.

 

Seinen voor vaartuigen die in nood of gevaar verkeren of een loods verlangen.

 

Artikel 41. (*)

Wanneer een vaartuig in nood verkeert en hulp verlangt van andere vaartuigen of van de wal, moeten de volgende seinen, hetzij te samen, hetzij afzonderlijk gebezigd worden: 

a. bij dag: 

lo. kanonschoten of andere knalseinen met tussenpozen van ongeveer één minuut; 

2o. het sein N. C. van het ,Internationaal seinboek" 

3o. het afstandssein, bestaande uit een vierkante vlag, boven of onder welke een bal of een voorwerp dat op een bal gelijkt, is gehesen ; 

4o. het aanhoudend geluid geven met enig mistseintoestel. 

b. bij nacht: 

lo. kanonschoten of andere knalseinen met tussenpozen van ongeveer één minuut; 

2o. een vlammend vuur (als van een brandend teer- of olievat) 

3o. vuurpijlen of lichtkogels, onverschillig van welke kleur of inrichting, die één voor één met korte tussenpozen worden ontstoken ; 

4o. het aanhoudend geluid geven met enig mistseintoestel.

 

Loodsseinen.

 

Artikel 42.  (*)

De navolgende seinen, hetzij afzonderlijk of gezamenlijk gedaan, worden als loodsseinen aangemerkt en mogen alleen gebezigd worden als het vaartuig een loods verlangt: a. bij dag: lo. de nationale vlag omgeven door een witte rand, ter breedte van een vijfde van die der vlag aan de voortop gehesen ; 2o. het sein P. T. of G. van het .Internationaal seinboek". 2 bij nacht: lo. blikvuren, die met tussenpozen van 15 minuten ontstoken worden ; 2o. een helder wit licht, dat onmiddellijk boven de verschansing vertoond wordt en met korte tussenpozen telkens gedurende een minuut zichtbaar is.

(*)  Gew. bij G.B. 1951 No. 36

 

Bijzondere lichten.

 

Artikel 43.

De inhoud dezer voorschriften belet noch de handhaving van bijzondere bepalingen, door de Regering van enige natie gemaakt, met betrekking tot het voeren van vaste of seinlichten buiten en behalve de hierbij voorgeschrevene, voor twee of meer oorlogsvaartuigen of vaartuigen onder convooi, noch het tonen van door reders aangenomen verkenningsseinen, mits deze van Regeringswege zijn goedgekeurd en bekend gemaakt.

Toezicht op de naleving der voorschriften. (*) 

 

Artikel 44.  (**)

(Vervallen bij G. B. 1951 No. 36).

 

Artikel 45. (**)

(Vervallen bij G. B. 1951 No. 36).

 

Artikel 46. (*)

Behalve de ambtenaren naar algemene bepalingen met de opsporing van strafbare feiten belast zijn met het toezicht op de naleving dezer verordening en met de opsporing van de in deze verordening bedoelde strafbare feiten ook belast de chef van het loodswezen, de officieren der Koninklijke Nederlandse Marine, de Havenmeesters, de Gouvernementsloodsen en de ambtenaren bij het Haven en Loodswezen, die hun processen-verbaal, opgemaakt op de eed (belofte) bij de aanvaarding van hun bediening doen toekomen aan de Procureur-Generaal.

 

Artikel 47.

 (Vervallen bij art. 21 van G. B. 1915 No. 78). Slotbepalingen.

 

Artikel 48.

Met het in werking treden dezer verordening vervalt de verordening van 14 Januari 1887 (G. B. No. 15).

 

Artikel 49. 

Deze verordening treedt in werking op de le Juli 1897. (***)

(*) Gew. bij G. B. 1951 No. 36.

(**) De strafbepaling wordt teruggevonden in de artikelen 559 en 221 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht. 

(***) De wijzigingen in G. B. 1951 No. 36 zijn op 20 Mei 1951 in werking getreden.

 

 

Toelichting.

A. Omtrent de inrichting van de schermen der boordsein1antaarns (art. 4 voorlaatste lid). Aan het voorschrift, vervat in art. 4, voorlaatste lid van vorenstaande verordening wordt voldaan, indien de lijn, gaande langs de binnenzijde van de kous en de voorkant van het scherm of de buitenkant van de klos, die aan het vooreinde van het scherm aan de buitenzijde is aangebracht, evenwijdig loopt aan de kiellijn van het vaartuig. Bij electrisch verlichte lantaarns komt de binnenkant van de gloeiende kooldraad in de plaats van de binnenkant van de kous. Het plaatsen van meer dan één gloeilamp in een electrische boordlantaarn is niet aan te bevelen, omdat dit de goede werking van het scherm in gevaar brengt.

B. Omtrent het gebruik der lichten, welke door vaartuigen in zee gevoerd worden, tevens aangevende hoe een vaartuig dat die lichten ziet, daaruit de plaats en de richting van het vaartuig, welks lichten gezien worden, kan leren kennen:

lo. Als men het rode en het groene licht ziet.

A ziet een rood en een groen licht vooruit, dan weet A, dat een vaartuig in zijn koerslijn recht tegen hem inligt.

Figuur I

Ziet A één wit toplicht, of twee witte toplichten op betrekkelijk grote afstand boven elkander boven de beide gekleurde lichten, dan weet hij, dat B een stoomvaartuig is. Ziet hij twee of drie witte toplichten op geringe afstand boven elkander, dan weet hij dat B een stoomvaartuig is met een of meer schepen op sleeptouw en dat de sleep korter is dan 180 meter, of slechts uit een vaartuig bestaat, als er twee, en langer dan 180 meter, en uit ten minste twee vaartuigen bestaat, als er drie toplichten zijn.

2o. Als men wel het rode, maar niet het groene licht ziet

A ziet een rood licht vooruit of kraanbalksgewijze vooruit dan weet A, 6f dat enig vaartuig hem op de bakboordsboeg nadert, gelijk B, 6f dat enig vaartuig naar bakboordszijde v66r hem overligt, gelijk D D D (fig. III.).

Figuur II

Ziet A tevens één wit toplicht boven het rode licht, dan weet hij, dat het een stoomvaartuig is, hetwelk 6f tegen hem inligt, gelijk B (fig. II), 6f zijn koerslijn in een richting naar bakboord v66r hem over snijdt zoals D D D (fig. III).

Figuur III

Ziet A in deze gevallen twee witte toplichten, niet recht boven elkander, doch is de horizontale afstand tussen de beide gering, dan weet hij, dat hij het andere vaartuig tamelijk scherp voorin ziet zoals B (fig. II). Is de horizontale afstand tussen de toplichten groter dan de vertikale, dan weet A, dat hij het andere vaartuig ongeveer dwars inziet ;

Ziet A twee of drie witte toplichten op geringe afstand recht boven elkander en boven het rode licht, dan weet hij, dat het een stoomvaartuig is, een ander vaartuig of vaartuigen op sleeptouw hebbende. 3o. Als men wel het groene, maar niet het rode licht ziet: A ziet een groen licht vooruit of kraanbalksgewijze vooruit, dan weet A 6f, dat enig vaartuig hem, als B (fig. IV) Op zijn stuurboordsboeg nadert, 6f, dat enig vaartuig gelijk D D D (fig. V) naar stuurboord voor hem overligt.

Figuur IV

 

Figuur V

Ziet A tevens een wit toplicht boven het groene licht, dan weet hij, dat het een stoomvaartuig is dat, 6f gelijk B (fig. IV) tegen hem inligt, 6f zoals D D D (fig. V) zijn koerslijn in een richting naar stuurboord v66r hem over snijdt. Ziet A in deze gevallen twee witte toplichten, niet recht boven elkander, doch is de horizontale afstand tussen de beide gering, dan weet hij, dat hij het andere vaartuig tamelijk scherp voor inziet zoals B (fig. IV). Is de horizontale afstand tussen de toplichten groter dan de vertikale, dan weet A dat hij het andere vaartuig ongeveer dwars inziet. Ziet A twee of drie witte toplichten op geringe afstand recht boven elkander en boven het groene licht, dan weet hij, dat het een stoomvaartuig is, een ander vaartuig of vaartuigen op sleeptouw hebbende.

4o. Ziet A op een plaats, waar geen schepen kunnen ten anker liggen, een enkel wit licht, dan weet hij, dat het is 6f een klein vaartuig 6f een vaartuig, dat hij oploopt.

5o. Ziet A drie toplichten, waarvan het bovenste en onderste rood zijn, en het middelste wit is, boven elkander, boven de rode en groene zijdelichten, dan weet hij dat het een voortgang hebbend stoom- of zeilvaartuig is, bezig met het leggen van een telegraaf- of telefoonkabel; ziet hij de genoemde drie toplichten zonder de rode en groene zijdelichten, dan weet hij, dat het bedoeld vaartuig stil ligt.

Ziet A twee rode toplichten boven elkander, boven de rode of groene zijdelichten, dan weet hij, dat het een stoom- of zeilvaartuig is, dat voortgang heeft, doch waarmede ten gevolge van enig ongeval niet kan gemanoeuvreerd worden. Ziet hij de genoemde twee toplichten zonder de rode en groene zijdelichten, dan weet hij, dat het bedoelde vaartuig stil ligt.

 

 

C. Omtrent de geluidseinen bedoeld in

Artikel 18. 

Geluidseinen.

______________________ Betekent lange stoot met stoomfluit of sirene

___________                    Betekent korte stoot met stoomfluit of siren

X                                     Betekent stoot met misthoorn

- - - - - - - - - - - - - - - - - - -- Betekent klokluiden (op Turkse schepen de trom)

a. Mistseinen (art. 18)

____________________    Stoomvaartuig dat vaart loopt.

______        _________     Stoomvaartuig, dat gestopt ligt en geen vaart loopt

_______   __   _________ Vaartuig, dat niet volgens de voorschriften kan manoeuvreren

X                                     Zeilvaartuig, zeilende over bakboord bij de wind

X X                                  Zeilvaartuig, zeilende over stuurboord bij de wind

X X X                               Zeilvaartuig met de wind achterlijker dan dwars.

- - - - - - - - - - - - - - - - -     Vaartuig ten anker

b. Geluidseinen voor schepen die elkander zien (art.38)

___________                    Ik wijk naar stuurboord uit.

_____    _____                  Ik wijk naar bakboord uit.

_____    _____     _____    Ik sla volle kracht achteruit. 

Behoort bij verordening van 30 Juni 1897 (G. B. No. 22).