|
RES0LUTIE van 15 Maart 1948 No. 1141, houdende bekendmaking van het Koninklijk besluit van 3 Juni 1947 (Staatsblad No. H 165) bepalende de bekendmaking in het Staatsblad van het op 7 December 1944 te Chicago gesloten Verdrag in zake de internationale burgerlijke luchtvaart. |
|
DE GOUVERNEUR VAN SURINAME, Gelezen de missive van de Minister van Overzeese Gebiedsdelen van 11 Juli 1947, 5e Afdeling No. 2/444; Gehoord de Procureur-Generaal; Overwegende. dat het wenselijk is de bekendmaking te bevelen van het Koninklijk besluit van 3 Juni 1947 (Staatsblad No. H. 165) bepalende de bekendmaking in het Staatsblad van het op 7 December 1944 te Chicago gesloten Verdrag in zake de Internationale burgerlijke luchtvaart ; Herlezen de resolutie van 12 October 1946 No. 3651 B e s I u i t : Te gelasten dat voormeld Koninklijk besluit benevens afschrift van deze resolutie in het Gouvernementsblad zullen worden geplaatst. Paramaribo, de 15de Maart 1948. J. C. BRONS. Uitgegeven, de 24ste Juni 1948. De wnd. Gouvernements-Secretaris, A.D. FERNANDES.
Wii WILHELMA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ. Gezien de wet van 28 Februari 1947 (Staatsblad No. H 65), houdende goedkeuring van het op 7 December 1944 te Chicaco gesloten Verdrag inzake de Internationale burgerlijke luchtvaart, van welk verdrag een afdruk en een vertaling bij dit besluit zijn gevoegd; Overwegende, dat het Verdrag, overeenkomstig artikel 91 (b), op 4 April 1947 van kracht is geworden voor de navolgende 26 Staten: Argentinie, Australie, Brazilie, Canada, China, Denemarken, de Doininicaanse Republiek, Ethiopie, Groot-Brittannie, lerland., India, Liberia, Mexico, Nicaragua, Paraguay, Peru, de Philippijnen, Polen, Portugal, Spanje, Tsjecho-Slowakije, Turklije, de Unie van Zuid-Afrika, de Verenigde Staten van Amerika, Zweden en Zwitserland; Overwegeiide mede, dat Onze akte van bekrachtiging op 26 Maart 1947 is nedergelegd in de archieven van de Regering van de Verenigde Staten van Amerka en mitsdien het Verdrag, overeenkomstig artikel 91 (b), voor Nederland op 25 April 1941 is van kracht geworden; Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 24 Mei 1947, Kabinet en Protocol No. 40850; Hebben goedgevonden en verstaan: bovengenoemd Verdrag, alsmede de vertaling daarvan, te doen bekendmaken door de plaatsing van dit Besluit in het Staatsblad Onze Ministers, Hoofden van Departementen van Algemeen Bestuur, zijn, ieder voor zoveel hem aangaat, belast met de uitvoering van hetgeen te deze wordt vereist. s-Gravenhage, de 3de Juni 1947. WILHELMINA. De Minister van Buitenlandse Zaken, W.VAN BOETZELAER. Uitgegeven de vierde Juli 1947. De Minister van Justitie, J.H. VAN MAARSEVEEN.
VERTALING VERDRAG INZAKE DE INTERNATIONALE BURGERLIJKE LUCHTVAART Preambule Overwegende, dat de toekomstige ontwikkeling- van de internationale burgerlijke luchtvaarf belangrijk kan bijdragen tot het scheppen en bewaren van vriendschap en goed begrip tusschen de naties en volkeren van de wereld doch dat misbruik daarvan, een bedreiging, kan worden voor de algemeene veiligheid; en Overwegende, dat het wenschelijk is, om wrijving te voorkomen en die samenwerking tussehen naties en volkeren waarvan de wereldvrede afhangt, te bevorderen; Zoo is het, dat de ondergeteekende Regeeringen, na overeenstemming, te hebben bereikt omtrent bepaalde beginselen en regelingen, opdat de Internationale burgerlijke luchtvaart zich kan ontwikkelen op een veilige en ordelijke wijze en internationale luchtvervoersdiensten ingesteld kunnen worden op de basis van gelijke kansen en geexploiteerd kunnen worden op gezonde en economische wiize; Dienovereenkomstig tot dat doel dit Verdrag hebben gesloten.
Deel I - Luchtvaart
ALGEMEENE BEGINSELEN EN TOEPASSING VAN HET VERDRAG.
Artikel 1 Souvereiniteit De verdragsluitende Staten erkennen, dat elke Staat de volledige en uitsluitende souvereiniteit heeft over de luchtruimte boven zijn grondgebied.
Artikel 2 Grondgebied Voor de toepassing van dit Verdrag wordt het grondgebied van een Staat geacht te omvatten de grondgebieden en de daaraan grenzende territoriale wateren, welke staan onder de souvereiniteit, suzereiniteit, bescherming, of mandaat van dien Staat.
Artikel 3 Burgerlijke-
en Staatsluchtvaartuigen (b) Luchtvaartuigen, gebezigd in militaire-, douane- en politiediensten worden geacht staatsluchtvaartuigen te zijn. (c) Geen staatsluchtvaartuig van een verdragsluitende Staat mag over het grondgebied van een anderen Staat vliegen of daarop landen zoiider vergunning krachtens een bijzondere regeling, of anderszins en in overeenstemming met de bepalingen daarvan. (d) De verdragsluitende Staten verbinden zich bij het uitvaardigen van voorschrifen voor hun staatsluchtvaartuigen de veiligheid van het verkeer met burgerlijke luchtvaartuigen in het oog te houden.
Artikel 4 Misbruik van de, burgerlijke luchtvaart Elke verdragsluitende Staat verbindt zich de burgerlijke luchtvaart niet te cebruiken voor doeleinden, welke onvereenigbaar zijn met de strekking van dit Verdrag.
HOOFDSTUK II
UITOEFENING VAN DE LUCHTVAART BOVEN HET GRONDGEBIED DER VERDRAGSLUITENDE STATEN.
Artikel 5 Recht van niet-geregelde vluchten Elke verdragsluitende Staat stemt er mede in, dat alle luchtvaartuigen van de andere verdragsluitende Staten, niet zijnde luchtvaartuigen, gebezigd op geregelde Internationale luchtdiensten, met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag, het rechthebben zijn grondgebied binnen te vliegen of er over te vliegen zonder tusschenlanding, en er te landen anders dan voor verkeersdoeleinden zonder voorafoaande vergunning, behoudens het recht van den Staat, over wiens grondgebied gevlogen wordt, om landing te eischen. Elle verdragsluitende Staat behoudt zich echter het recht voor, om redenen van veiligheid voor de luchtvaart, luchtvaartuigen, welke zich willen begeven boven gebieden, die ontoegankelijk zijn of waar niet voldoende luchtvaartfaciliteiten aanwezig zijn, op te dragen voorgeschreven routes te volgen of voor zoodanige vluchten bijzondere vergunning te verkrijgen. Indien zoodanige luchtvaartuigen gebezigd worden voor het vervoer van passagiers, goederen of post tegen vergoeding of belooning, anderg dan op geregelde Internationale luchtdiensten, hebben bovendien, met inachtneming van de bepalingen van artikel 7, het recht passagiers, goederen of post op te nemen of af te zetten, behoudens het recht van een Staat, waar zulk opnemen of afzetten plaats heeft, om zoodanige bepalingen, voorwaarden of beperkingen te stellen, als hem wenschelijk voorkomen.
Artikel 6 Geregelde luchtdiensten Geen geregelde intematiopale luchtdienst mag worden geexploiteerd over of tot in het grondgebied van een verdragsluitende Staat anders dan met bijzondere toestemming of vergunning van dien Staat en in overeenstemming met de voorwaarden van een zoodanige toestemming, of vergunning.
Artikel 7 Cabotage Elke verdragsluitende Staat heeft het recht, aan de luchtvaartuigen van andere verdragsluitende Staten vergunning te weigeren tot het opnemen binnen zijn grondgebied van passagiers, post en goederen tot vervoer tegen vergoeding of belooningen bestemd voor een ander punt binnen zijn grondgebied. Elke verdragsluitende Staat verbindt zich, geen regelingen te treffen, welke bij uitsluiting, aan eenigen anderen Staat of aan een luchtvaartmaatschappij van eenigen anderen Staat een zoodanig recht uitdrukkelijk toekent, noch van eenigen anderen Staat zoodanig alleenrecht te verkrijgen.
Artikel 8 Onbemande luchtvaartuigen Geen luchtvaartuig, dat kan vliegen zonder bestuurder, zal zonder bestuurder mogen vliegen over het grondgebied van een verdragsluitenden Stanat zonder bijzondere vergunning van dien Staat en overeenkomstig de voorwaarden van zoodanige vergunning. Elke verdragsluitende Staat verbindt zich een zoodanig toezicht op het uitoefenen van de luchtvaart met zulke luchtvaartuigen zonder bestuurder in gebieden, opengesteld voor burgerlijlie luchtvaartuigen te waarborgen, dat gevaar voor burgerlijke luchtvaartuigen wordt voorkomen.
Artikel 9 Verboden gebieden (a) Elke verdragsluitende Staat kan om redenen van militaire noodzaak of openbare veiligheid het uitoefenen van de luchtvaart met de luchtvaartuigen van andere Staten boven bepaalde deelen van zijn grondgebied op eenvormige wijze beperken of verbieden, mits terzake geen onderscheid wordt gemaakt tusschen de luchtvaartuigen, gebezigd in geregelde internationale luchtdiensten van den Staat, wiens grondgebied in het geding is en de luchtvaartuigen van de andere vedragsluitende Staten, welke op dezelfde wijze worden gebezigd. Zoodanige verboden oebieden zullen redelijke afmetingen hebben en zoodanig, zijn oelegen, dat zij niet onnoodig de Iuchtvaart zullen hinderen. Beschrijvingen van zoodanige verboden gebieden op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, zoowel als eenige latere wijziging daarin moeten zoo spoedig mogelijk aan de andere verdragsluitende Staten en aan de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie worden medegedeeld. (b) Elke verdracsluitencle Staat behoudt zich tevens het recht voor, in buitencewone omstandiyheden of in tijcl van nood, dan wel in het belanc, van de openbare veilicheid, niet onmiddellijke werking de uitoefening, van de luchtvaart over het geheel of een deel van zijn grondgebied tijdelijk te beperken of te verbieden, onder voorwaarde, dat zoodanige beperking, of verbod zonder onderscheid van nationaliteit van toepassing zal zijn op luchtvaartuigen van alle andere Staten. (c) Elke verdragsluitende Staat kan op grond van door hem uitgevaardigde voorschriften eischen, dat luchtvaartuigen, welke gebieden als onder (a) en (b) bedoeld, binnenvliegen, zoo spoedig mogelijk daarna landen op een aangewezen luchtvaartterrein binnen zijn grondgebied.
Artikel 10 Landing op douane-luchthaven Behoudens in de gevallen, dat op grond van de bepalingen van dit Verdrag, of van een bijzondere vergunning, luchtvaartuigen zonder landing, over het grondgebied van een verdragsluitenden Staat mogen vliegen moet elk luchtvaartuig, dat het grondgebied van een verdragsluitenden Staat binnenvliegt, indien de reglementen van dien Staat zulks eischen, landen op een luchthaven, door dien Staat aanoewezen voor douane- en ander onderzoek. Bij vertrek uit het grondgebied van een verdragsluitenden Staat moet zulk een luchtvaartuig vertrekken van een op gelijke wijze aangewezen douane luchthaven. Bijzonderheden omtrent alle aangewezen douaneluchthavens zullen door den Staat bekend gemaakt en gezonden worden aan de Internationale Luchtvaart Organisatie, opgericht kracbtens Deel II van dit Verdrag, ter mededeeling aan alle andere verdragsluitende Staten.
Artikel 11 Toepasseliikheid van luchtvaartvoorschriften Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag dienen de wetten en voorschriften van een verdragsluitenden Staat betreffende de toelating tot of het vertrek uit zijn grondgebied van luchtvaartuigen, gebezigd in de Internationale luchtvaart, of betreffende de exploitatie van en het vliegen met zulke luchtvaartuigen zoolang zij zich binnen zijn grondgebied bevinden, zonder onderscheid van nationaliteit, yan toepassing te zijn op de luchtvaartuigen van alle verdragsluitende Staten; zij moeten door deze luchtvaartuigen worden nagekomen bij het binnenvliegen of verlaten van het grondgebied of gedurende het verblijf binnen het grondgebied van dien Staat.
Artikel 12 Luchtverkeersregelen Elke verdragsluitende Staat verbindt zich, maatregelen te freffen om te verzekeren, dat elk luchtvaartuig, dat over zijn grondgebied vliegt of zich binnen zijn grondgebied beweegt en dat elk luchtvaartuig, dat zijn nationaliteitskenmerk draagt, waar het zich ook bevindt, de aldaar van kracht zijnde regelingen en voorschriften inzake het vliegen en het zich bewegen van luchtvaartuigen zal inachtnemen. Elke verdragsluitende Staat verbindt zich, zijn eigen voorschriften op dit gebied zooveel mogeliik, in overeenstemming te brengen met die, welke van tijd tot tijd uit hoofde van dit Verdrag worden vastgesteld. Boven volle zee zullen van kracht zijn de krachtens dit Verdrag vastgestelde bepalingen. Elke verdragsluitende Staat verbindt zich de vervolging van allen, die de betreffende voorschriften overtreden, te verzekeren.
Artikel 13 Voorschriften voor toelating en in- en uitklaring De wetten en voorschriften van een verdragsluitenden Staat betreffende de toelating tot of het vertrek uit zi]n grondgebied van passagiers, bemanningen of lading van luchtvaartuigen zooals voorschriften, betreffende de toelating, het in- en uitklaren, immigratie, paspoorten, douane en quarantine, moeten door of vanwege deze passagiers, bemanningen of lading bij binnenkomst in of vertrek uit of tijdens het verblijf binnen het grondgebied van dien Staat worden nagekomen.
Artikel 14 Voorkoming van verspreiding van ziekten Elke verdragsluitende Staat verbindt zich doeltreffende maatregelen te nemen tot het voorkomen van de verbreiding, door middel van de luchtvaart van cholera, vlektyphus (epidemische), pokken, gele koorts, pest, en zoodanige andere besmettelijke ziekten, als de verdragsluitende Staten van tijd tot tijd zullen besluiten aan te wijzen; te dien einde zullen de, verdragsluitende Staten nauw contact onderhouden met de instanties, op het gebied van de internationale voorschriften inzake geneeskundige maatregelen van toepassing, op luchtvaartuigen. Dit overleg laat de toepassing van eenig bestaand international verdrag op dit gebied, waarbij de verdragsluitende Staten partij kunnen zijn, onverlet.
Artikel 15 Luchthaven- en dergelijke gelden Elke lucbthaven in een verdragsluitende Staat, opengesteld voor openbaar gebruik door zijn eigen luchtvaartuigen, zal op gelijke wijze, behoudens het bepaalde in Artikel 68, onder gelijke voorwaarden opengesteld zijn voor de luchtvaartuigen van alle andere verdragsluitende Staten. Deze gelijke voorwaarden zullen betrekking hebben op het gebruik door luchtvaartuigeti van iederen verdragsluitenden Staat, van alle luchtvaartfac'liteiten, radio- en meteorologische diensten inbegrepen, welke voor openbaar gebruik voor de veiligheid en bespoediging van de luchtvaart kunnen worden verschaft. De kosten opgelegd door of met toestemming van een verdragsluitenden Staat voor het gebruik van zoodanige luchthavens en luchtvaartfaciliteiten door de luchtvaartuigen van een anderen verdragsluitenden Staat mogen niet hooger zijn: (a) ten aanzien van niet op geregelde internationale diensten gebezigde luchtvaartuigen, dan die, welke zouden moeten worden betaald door zijn eigen luchtvaartuigen van dezelfde klasse, gebezigd voor dezelfde doeleinden, en (b) ten aanzien van in geregelde Internationale luchtdiensten gebezigde luchtvaartuigen dan die, welke zouden moeten worden betaald door zijn eigen luchtvaartuigen, gebezigd in soortgelijke Internationale luchtdiensten. Al deze kosten worden openbaar gemaakt en medegedeeld aan de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie, met dien verstande, dat, op verzoek van een belanghebbenden verdragsluitenden Staat, de kosten, opgelegd voor het gebruik van luchthavens en andere faciliteiten, onderworpen worden aan een onderzoek door den Raad, die daarover verslag zal uitbrengen en aanbevelingen terzake zal doen ter overweging van den daarbij betrokken Staat of Staten. Geen tarieven, rechten of andere kosten mogen door een verdragsluitenden Staat worden opgelegd voor het enkele recht van het vliegen over, het binnenvliegen in of het vertrek uit zijn grondgebied door een luchtvaartuig, van een verdragsluitenden Staat of van personen of eigendommen daarin.
Artikel 16 Opsporing van luchtvaartuigen De bevoegde autoriteiten van elk van de verdragsluitende Staten hebben het recht zonder onredelijle vertraging luchtvaartuigen van de aiidere verdragsluitende Staten bij landing of vertrek te onderzoeken en de bewijzen en andere bescheiden, door dit Verdrag vooroeschreven, te controleeren.
HOOFDSTUK III.
NATIONALITEIT VAN LUCHTVAARTUIGEN
Artikel 17 Nationaliteit van luchtvaartuigen Luchtvaartuigen hebben de nationaliteit van den Staat, waar zij zijn ingeschreven.
Artikel 18 Meervoudige inschrijving Een luchtvaartuig kan niet rechtsgeldig in meer dan een Staat zijn ingeschreven, maar het kan van den eenen Staat naar een anderen worden overgeschreven.
Artikel 19 Nationale wetten in zake inschrijving De inschrijving of overschrijving van iuchtvaartuigen in een verdragsluitenden Staat zal geschieden in overeenstemming met ziin wetten en voorschriften.
Artikel 20 Voeren van kenmerken Elk luchtvaartuig, gebezigd in de internationale luchtvaart, met de hem toegekende nationaliteits- en inschrijvingskenmerken voeren.
Artikel 21 Rapporten omtrent inschrijvingen Elke verdragsluitende Staat verbindt zich, aan iederen anderen verdragsluitenden Staat of aan de Internationale Burgerlijke Lucbtvaart Organisatie, op verzoek inlichtingen te verstrekken betreffende de inschrijving en den eigendom van elk in dien Staat ingeschreven luchtvaartuig. Bovendien zal elke verdragsluitende Staat aan de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie volgens door deze te stellen richtlijnen, rapporten doen toekomen, waarin de beschikbare ter zake betrekkelijke gegevens voorkomen, betreffende den eigendom van en het toezicht op luchtvaartuigen in dien Staat ingeschreven en gewoonlijk gebeziod in de internationale luchtvaart. De op deze wijze door de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie verkregen gegevens worden door haar, op verzoek, ter beschikking van de andere verdragsluitende Staten gesteld.
HOOFDSTUK IV
MAATREGELEN TER VERGEMAKKELIJKING VAN DE LUCHTVAART
Artikel 22 Vergemakkelijking van formaliteiten Elke verdragsluitende Staat verbindt zich alle uitvoerbare maatregelen te treffen, door middel van bijzondere voorschriften of anderszins, om het verkeer met luchtvaartuigen tusschen de grondgebieden van de verdragsluitende Staten te vergemakkelijken en te bespoedigen en onnodige vertragingen voor luchtvaartuigen, bemanningen, passagiers en lading te voorkomen, in het bijzonder met betrekking tot de toepassing van wetten in zake de immigratie, quarantaine, douane en inklaring.
Artikel 23 Douane- en immigratiebepalingen Elke verdragsluitende Staat verbindt zich, voor zoover hij zulks uitvoerbaar acht, douane-,en immigratiebepalingen vast te stellen met betrekking tot de internationale luchtvaart overeenkomstig de werkwijzen, welke op grond van dit Verdrag van tijd tot tijd kunnen worden vastgesteld of aanbevolen. Niets in dit Verdrag mag worden uitgelegd als een beletsel voor de instelling van vrijhavens voor de luchtvaart.
Artikel 24 Douanerechten
Artikel 25 In nood verkeerende, luchtvaartuigen Elke verdragsluitende Staat verbindt zich, zoodanige maatregelen te treffen voor hulpverleening aan luchtvaartuigen, die boven zijn grondgebied in nood verkeeren, als hij uitvoerbaar acht en onder toezicht van zijn eigen autoriteiten, den eigenaren van het luchtvaartuig, of den autoriteiten van den Staat, waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, toe te staan, zoodanige bijstand te verschaffen als de omstandigheden noodzakelijk maken. Elle verdragsluitende Staat zal de opsporing van vermiste luchtvaartuizen doen geschieden in geordende samenwerking volgens maatregelen, welke op grond van dit Verdrag van tijd tot tijd kunnen worden aanbevolen.
Artikel 26 Onderzoek van ongevallen In geval een luchtvaartuig van een verdragsluitende Staat binnen het grondgebied van een anderen verdragsluitenden Staat een ongeval overkomt, dat dood of ernstige verwonding ten gevolge heeft of wijst op een ernstig, technisch gebrek aan het luchtvaartuig of in de luchtvaartfaciliteiten, zal de Staat, waarin het ongeval plaats.heeft, een onderzoek naar de omstandigheden van het ongeval instellen, in overeenstemming, voor zooveel zijn wetten dit toestaan, met de procedure, welke door de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie kan worden aanbevolen. Den Staat, waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, dient gelegenheid te worden gegeven waarnemers te benoemen om bij het onderzoek aanwezig te zijn, en de Staat, die het onderzoek instelt, dient het rapport en de bevindingen terzake aan dien Staat toe te zenden.
Artikel 27 Vrijstelling van beslag wegens inbreuk op patenten
Artikel 28 Luchtverkeersfaciliteiten en standaardsystemen Elke verdragsluitende Staat verbindt zich, voorzoover uitvoerbaar:
HOOFDSTUK V
VOORWAARDEN WAARAAN LUCHTVAARTUIGEN MOETEN VOLDOEN
Artikel 29 In luchtvaartuigen mede te voeren bescheiden In ieder luchtvaartuig van een verdragsluitende Staat, gebezigd in de Internationale Iuchtvaart, moeten, in overeensternming, met de voorwaarden in dit Verdrag, gesteld, de volgende bescheiden worden medegevoerd:
(a) het bewijs van inschrijving;
Artikel 30 Radio-uitrusting van luchtvaartuigen
Artikel 31 Bewijzen van luchtwaardigheid Elk luchtvaartuig, gebezigd in de Internationale luchtvaart, moet voorzien zijn van een bewijs van luchtwaardigheid, uitgereikt of geldig verklaard door den Staat, waarin het is ingeschreven.
Artikel 32 Bewijzen van geschiktheid van personeel
Artikel 33 Erkenning van bewijzen van luchtwaardigheid en van geschiktheid Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van geschiktheid en vergunningen, uitgereikt of geldig verklaard door den verdragsluitenden Staat, waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, worden door de andere vedragsluitende Staten erkend, mits de vereischten, waaronder zoodanige bewijzen en vergunningen zijn uitgereikt of geldig verklaard, gelijk zijn aan of zwaarder zijn dan de minimum maatstaven, welke van tijd tot tijd op grond van dit Verdrag kunnen worden vastgesteld.
Artikel 34 Journalen Voor elk luchtvaartuig gebezigd in de Internationale luchtvaart, zal een journaal worden gehouden, waarin worden opgenomen bijzonderheden omtrent het luchtvaartuig, zijn bemanning en elke reis, in zoodanigen vorm als van tijd tot tijd op grond van dit Verdrag kan worden voorgeschreven.
Artikel 35 Beperking van lading
Artikel 36 Fotografietoestellen Elke verdragsluitende Staat kan het gebruik van fotografietoestellen in luchtvaartuigen boven zijn grondgebied verbieden of aan regelen onderwerpen.
HOOFDSTUK
VI INTERNATIONALE NORMEN EN AANBEVOLEN WERKWIJZEN
Artikel 37 Aanvaarding van Internationale normen en methoden Elke verdragsluitende Staat verbindt zich mede te werken tot het verkrijgen van de grootst mogelijke mate van eenvormigheid in de voorschriften, normen, methoden en organisatie met betrekking tot luchtvaartuigen, personeel, luchtlijnen en hulpdiensten in alle aangelegenheden, waarin een zoodanige eenvormigheid de luchtvaart zal vergemakkelijken en haar ten goede zal komen. Tot dat doel zal de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie van tijd tot tijd, naar gelang dit noodig zal zijn, Internationale maatstaven en aanbevolen werkwijzen en methoden aanvaarden en wijzigen, betreffende: (a) den berichtendienst en luchtverkeersbeveiliging, grondteekens
daaronder begarepen;
Artikel 38 Afwijkingen van internationale normen en methoden. Een Staat, die het onuitvoerbaar acht in alle opzichten een Internationale maatstaf of methode na te leven dan wel zijn voorschriften of werkwijzen geheel in overeenstemming te brengen met een Internationale maatstaf of methode, nadat deze zullen zijn gewiizigd, of die liet noodig acht voorschriften of werkwijzen te aanvaarden, welke in een bepaald opzicht afwijken van die, vastgesteld bij een Internationale norm, dient onmiddellijk aan de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie kennis te geven de verschillen tusschen zijn eigen systeem en dat, vastgesteld bij de Internationale maatstaven. In geval van wijziging van internationale normen doet een Staat, die niet de noodige wijzigingen aanbrengt in zijn eigen voorschriften of werkwijzen, binnen een termijn van zestig dagen aan den Raad mededeeling van de aanvaarding van de wijziging in de Internationale maatstaven of geeft hij de maatregelen aan. welke hij zich voorstelt te nemen.,In dergelijke gevallen doet de Raad onmiddellijk aan alle andere Staten mededeeing van het verschil, hetwelk bestaat tusschen een of meer kenmerken van een Internationale maatstaf en de overeenkomstioe nationale werkwijze van dien Staat.
Artikel 39 Aanteekeningen op bewijzen van luchtwaardigheid en van -geschiktheid
Artikel 40 Geldigheid van bewijzen van luchtwaardigheid en van geschiktheid, voorzien van aanteekeningen Luchtvaartuigen of personeel, op de bewijzen waarvan zoodanige aanteekeningen zijn gesteld, moeten niet aan de internationale luchtvaart deelnemen, tenzij met vergunning van den Staat, over wiens grondgebied gevlogen wordt. De inschrijving of het gebruik van zoodanige luchtvaartulgen of van een onderdeel, waarvoor een bewijs is afgegeven in een anderen Staat dan dien, waarin oorspronkelijk het bewijs werd uitgereikt, staat ter beoordeeling van den Staat, waarin het luchtvaartuig of het onderdeel wordt ingevoerd.
Artikel 41 Erkenning van bestaande luchtwaardigheidsmaatstaven De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op luchtvaartuigen en uitrustingsstukken van types, waarvan het prototype tot het verkrijaen van een bewijs aan een onderzoek door de bevoegde nationale autoriteiten wordt onderworpen op een eerder tijdstip dan drie jaar na de aanvaardind, van een internationale maatstaf door de luchtwaardigheid daarvan.
Artikel 42 Erkenning van bestaande maatstaven voor geschiktheid van personeel
De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op personeel,
waarvan de bewijzen oorspronkelijk zijn uitgereikt op een eerder tijdstip dan een jaar na
de aanvankelijke aanvaarding van een Internationale keuringsmaatstaf voor zoodanig personeel, doch zij
zullen in elk geval van toepassing zijn op het personeel, waarvan de bewijzen geldig blijven
vijf jaar na het tijdstip van aanvaardino, van zoodanige maatstaf. Deel 11. De Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie
HOOFDSTUK VII
DE ORGANISATIE
Artikel 43 Naam en samenstelling Bii dit Verdrag wordt ingesteld een organisatie, genaamd de Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie. Zij bestaat uit een Vergadering, een Raad en zoodanige andere organen als noodig zullen blijken.
Artikel 44 Doel De Organisatie heeft ten doel de ontwikkeling, van de beginselen en techniek van de Internationale luchtvaart en het aanmoedigen van het ontwikkelen en uitbreiden van internationaal luchtvervoer, zooals:
Artikel 45 Permanente zetel De plaats, waar de permanents zetel van de Organisatie zal zijn gevestigd, wordt bepaald in de slotzitting van de Tijdelijke Vergadering van de Voorloopige Internationale Burgerlijke Luchtvaart Organisatie, ingesteld bij de Tijdelijke Overeenkomst inzake de Internationale burgerlijke Luchtvaart, onderteekend te Chicago, op 7 December 1944. De zetel kan tijdelijk naar elders worden verplaatst bij besluit van den Raad.
Artikel 46 Eerste zitting van Vergadering De eerste zitting van de Vergadering zal, zoodra het Verdrag van kracht zal ziin geworden, door den Tijdelijken Raad van bovengenoemde Voorloopige Organisatie worden bijeengeroepen op een tijdstip en op een plaats, door den Tijdelijken Raad vast te stellen.
Artikel 47 Juridische bevoegdheden
De Organisatie geniet op het grondgebied van elken verdragsluitenden
Staat zoodanige juridische bevoegdheden, als noodig, kunnen zijn voor de uitoefening van haar
functie. Volledige rechtspersoonlijkheid wordt toegekend, overal waar dit vereenigbaar is
met de Grondwet en wetten van den betreffenden Staat. HOOFDSTUK
VIII
DE VERGADERING Artikel 48 Zittingen van de Vergadering en stemmen
Artikel 49 Bevoegdheden en verplichtingen van de Vergadering De Vergadering heeft de volgende bevoegdheden en verplichtingen:
(k) het behandelen van elle aangelegenheid binnen de werkingssfeer van
de Organisatie, welke niet bepaaldelijk aan den Raad is toegewezen. HOOFDSTUK IX
DE RAAD
Artikel 50 Samenstelling en verkiezing van den Raad
Artikel 51 Voorzitter van den Raad De Raad kiest zijn Voorzitter voor een termijn van drie jaar. Hij is herkiesbaar. Hij heeft geen stemrecht. De Raad kiest uit zijn leden een of meer Vice-Voorzitters, die hun stemrecht behouden, wanneer zij als Voorzitter fungeeren. De Voorzitter behoeft niet te worden verkozen uit de vertegenwoordigers van de leden van den Raad; is een vertegenwoordiger verkozen, dan wordt diens zetel geacht te zijn opengevallen en wordt deze bezet door den Staat, dien hij vertegenwoordigde. De Voorzitter heeft tot taak:
Artikel 52 Stemmen in den Raad Besluiten van den Raad behoeven de goedkeuring van een meerderheid van zijn leden. De Raad kan met betrekling tot een bepaalde aangelegenheid bevoegdheden delegeeren aan een comite uit zijn leden. Tegen beslissingen van een comite uit den Raad staat voor iederen belanghebbenden verdragsluitenden Staat beroep open op den Raad..
Artikel 53 Deelneming zonder stemrecht Een verdragsluitende Staat kan, zonder stemrecht, deelnemen an de behandeling door den Raad en door zijn comite's en commissies van zaken, welke in het bijzonder zijn belangen raken. Geen lid van den Raad mag zijn stem uitbrengen bij de behandeling door den Raad van een geschil, waarbij dit lid partij is.
Artikel 54 Verplichte functies van den Raad De Raad is gehouden:
Artikel 55 Toegelaten functies van den Raad De Raad is bevoegd:
HOOFDSTUK X
Artikel 56 Benoeming en instelling van de Commissie De Commissie in zake Luchtverkeer zal bestaan uit twaalf leden, benoemd door den Raad uit personen, voorgedragen door de verdragsluitende Staten. Deze personen moeten ter zake deskundig zijn en ervaring, hebben op het gebied van wetenschap en practijk van de luchtvaart. De Raad richt tot alle verdragsluitende Staten het verzoek een voordracht in te dienen. De Voorzitter van de Commissie in zake Luchtverkeer wordt benoemd door den Raad.
Artikel 57 Verplichtingen van de Commissie De Commissie inzake Luchtverkeer is gehouden:
HOOFDSTUX XI
Artikel 58 Aanstelling van personeel Met inachtneming van de voorschriften, vastgesteld door de Vergadering en van de bepalingen van dit Verdrag, stelt de Raad de wijze van aanstelling en ontslag, de opleiding, de salarissen en toelagen en de dienstvoorwaarden van den Secretaris-Generaal en ander personeel van de Organisatie vast; hij kan gebruik maken van de diensten van onderdanen van elk der verdragsluitende Staten, of onderdanen van deze in dienst nemen.
Artikel 59 Internationaal karakter van het personeel Noch de Voorzitter van den Raad, noch de Secretaris-Generaal noch ander personeel mogen van eenig gezag buiten de Organisatie opdrachten vragen of aanvaarden met betrekking tot de vervulling van hun taak. Elke verdragsluitende Staat verbindt zich het internationale karakter van de taak van het personeel volledig te eerbiedigen en niet te trachten, zijn onderdanen bij de vervulling van hun taak te beinvloeden.
Artikel 60 Immuniteiten en voorrechten van het personeel Elke verdragsluitende Staat verbindt zich, voor zooveel zulks met zijn staatsregeling in overeenstemming te brengen is, aan den voorzitter van den Raad, aan den Secretaris-Generaal en aan het verdere personeel van de Organisatie, de immuniteiten en voorrechten toe te staan, welke worden toegekend aan overeenkomstig personeel van andere openbare internationale organisaties. Indien een algemeene internationale overeenkomst betreffende de immuniteiten en de voorrechten van Internationale burgerlijke ambtenaren wordt getroffen, zullen de immuniteiten en de voorrechten, toegekend aan den Voorzitter, den Secretaris-Generaal en aan het verdere personeel van de Organisatie, zijn de immuniteiten en de voorrechten, toegekend op grond van die algemeene internationale overeenkomst.
HOOFDSTUX XIl
GELDMIDDELEN
Artikel 61 Begrooting en verdeeling van de uitgaven De Raad legt aan de Vergadering een jaarlijksche begrooting, een jaarlijksche afrekening en een raming van alle ontvangsten en uitgaven voor. De Vergadering keurt de begrooting goed met de wijzigingen, welke haar. goeddunken en verdeelt, met uitzondering van de bijdragen bedoeld in Hoofdstuk XV van de Staten, welke daarmede instemmen, de uitgaven van de Organisatie over de verdragsluitende Staten op den grondslag, dien zij van tijd tot tijd zal vaststellen.
Artikel 62 Opschorting stemrecht Indien een verdragsluitende Staat in gebreke blijft binnen een redelijken termijn aan zijn financieele verplichtingen tegenover de Organisatie te voldoen, kan de Vergadering het stemrecht van dien Staat in de Vergadering en in den Raad opschorten.
Artikel 63 Kosten van delegaties en andere vertegenwoordigers
Elke verdragsluitende Staat draagt de kosten van zijn eigen delegatie
bij de Vergadering, zoomede de vergoeding, reis- en andere kosten van personen, die hij ten dienste
van den Raad aanwijst en benoemt of vertegenwoordigers in ondergeschikte comite's of commissies
van de Organisatie.
HOOFDSTUK III
ANDERE INTERNATIONALE REGELINGEN
Artikel 64 Maatregelen ten aanzien van de veiligheid De Organisatie kan met betrekking tot luchtvaartaangelegenheden binnen den kring, harer bevoegdheid gelegen, welke rechtstreeks de wereldveiligheid raken, krachtens besluit van de Vergadering, met iedere algemeene organisatie, opgericht door de volkeren der wereld, om den vrede te bewaren, passende maatregelen treffen tot behoud van den vrede.
Artikel 65 Regelingen met andere Internationale lichamen De Raad kan namens de Organisatie, met andere internationale organen overeenkomsten sluiten ter handhaving van gemeenschappelijke diensten en om te komen tot gemeenschappelijke regelingen betreffende personeel en, met de goedkeuring van de Vergadering andere overeenkomsten sluiten tervergemakkelijking van het werk van de Organisatie.
Artikel 66 Taak met betrekking tot andere overeenkomsten
Deel III Internationaal Luchtvervoer
HOOFDSTUK XIV
GEGEVENS EN RAPPORTEN
Artikel 67 Indienen van gegevens bij den Raad
Elke verdragsluitende Staat verplicht zich er voor te zorgen, dat zijn
Internationale luchtvaartmaatschappijen, in overeenstemming met de door den Raad
vastgestelde eischen, bij den Raad vervoerstaten, kostenstatistieken en financieele verslagen
indienen, onder meer vermeldende alle inkomsten en de bronnen daarvan.
HOOFDSTUK XV
Aanwijzing van routes en luchthavens Elke verdragsluitende Staat kan met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag de route aanwijzen, welke binnen zijn grondgebied door Internationale luchtdiensten moet worden gevolgd en de luchthavens, welke zoodanige diensten mogen gebruiken.
Artikel 69 Verbetering van luchtvaartfaciliteiten Indien de Raad van oordeel is, dat de luchthavens of andere luchtvaartfaciliteiten van een verdragsluitenden Staat, radio- en meteorologische diensten daaronder begrepen, niet redelijkerwijze voldoende zijn voor de veilige, regelmatige, doeltreffende en economische exploitatie van aanwezige of geprojecteerde Internationale luchtdiensten, treedt de Raad in overleg met den onmiddellijk daarbij betrokken Staat alsook met andere belanghebbende Staten, met het doel middelen te vinden, waardoor de situatie kan worden verbeterd; de Raad kan te dier zake aanbevelingen doen. Een verdragsluitencle Staat maakt zich niet schuldig aan inbreuk op dit Verdrag indien hij in gebreke blijft, aan deze aanbevelingen gevolg te geven.
Artikel 70 Financiering van luchtvaartfaciliteiten Een verdragsluitende Staat kan in de omstandigheden, bedoeld in artikel 69, een regeling treffen met den Raad met betrekking tot het ten uitvoer brengen van zoodanige aanbevelingen. De Staat kan op zich nemen, alle uit zoodanige overeenkomst voortvloeiende kosten te dragen. Verkiest de Staat zulks niet te doen, dan kan de Raad op verzoek van den Staat er in toestemmen, de kosten geheel of gedeeltelijk te dragen.
Artikel 71 Inrichting en onderhoud van faciliteiten door den Raad Op verzoek van een verdragsluitenden Staat kan de Raad besluiten een of meer of alle luehthavens en andere luchtvaartfaciliteiten, radio- en meteorologische diensten daaronder begrepen, op het grondgebied van dien Staat, vereischt voor de veilige, regelrnatige, doeltreffende en economische exploitatie van de Internationale luchtdiensten van de andere overeenkomstsluitende Staten, in te richten, van personeel te voorzien, te onderhouden en te beheeren; voor de verschafte faciliteiten kan de Raad billijke en redelijke kosten in rekening brengen.
Artikel 72 Verkrijging of gebruik van land Waar land benoodigd is voor faciliteiten, welke op verzoek van een verdragsluitenden Staat oeheel of gedeltelijk worden bekostigd door den Raad, moet die Staat het land zelf verschaffen, desgewenscht den eigendom daarover behoudende, danwel zijn bemiddeling verleenen, dat de Raad het gebruik van het land verkrijgt op billijke en redeliike voorwaarden en in overeenstemming met de wetten van den betrokken Staat.
Artikel 73 Uitgaven en aansiagen voor kapitaalsuilgaven Binnen de grenzen van de geldmiddelen, welke hem door de Vergadering, ter beschikking kunnen worden gesteld krachtens Hoofdstuk XII, kan de Raad voor de doeleinden, vervat in dit Hoofdstuk uit de algemeene geldmiddelen van de Organisatie loopende uitgaven doen. De Raad kan de verdragsluitende Staten, die daarmede instemmen en wier luchtvaartmaatschqppijen van de faciliteiten gebruik maken, over een redelijk tijdvak naar te voren overeengekomen verhoudingen aanslaan in de kapitaalsuitgaven, benoodigd voor de in dit Hoofdstuk vervatte doeleinden. De Raad kan eveneens Staten, die hiermede instemmen, aanslaan in eventueele bedrijfskosten.
Artikel 74 Technische bijstand en aanwendinq van de opbrengst Indien de Raad, op verzoek van een verdragsluitenden Staat, geldmiddelen voorschiet dan wel luchthavens of andere faciliteiten geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt, kan de regeling met goedvinden van dien Staat, voorzien in technischen bijstand bij het toezicht op en de exploitie van de luchthavens en andere faciliteiten, alsook in de betaling uit de opbrengst van de exploitatie van de luchthavens en andere faciliteiten van de exploitatiekosten van de luchthavens en de andere faciliteiten en van rente en aflossing.
Artikel 75 Overneming van de faciliteiten van den Raad Een verdragsluitende Staat kan zich te allen tijde onttrekken aan een verbintenis, welke hij op grond van artikel 70 heeft aangegaan en de luchthavens en andere faciliteiten, welke de Raad op zijn grondgebied uit hoofde van de bepalingen van de artikelen 71 en 72 heeft ingericht, overnemen, door aan den Raad een bedrag te betalen, dat, naar het oordeel van den Raad, in de gegeven omstandigheden redelijk is. Indien de Staat van oordeel is, dat het door den Raad vastgestelde bedrag onredelijk is, kan hij tegen de beslissing van den Raad in beroep komen bij de Vergadering; deze kan de beslissing van den Raad bevestigen of wijzigen.
Artikel 76 Restitutie van gelden Geldmiddelen, welke de Raad heeft verkregen door terugbetaling op grond van artikel 75 en door ontvangst van rente en aflossing, op aroncl van artikel 74, worden, in geval van voorschotten, oorspronkelijk door Staten gedaan op grond van artikel 73, aan de Staten, die oorspronkelijk waren aangeslagen, gerestitueerd in de verhouding van hun aanslagen, zooals deze door den Raad waren vastgesteld.
HOOFDSTUK XVI
ORGANISATIE VOOR GEZAMENLIJKE EXPLOITATIE EN DIENSTEN, WELKE IN BELANGENGEMEENSCHAP WORDEN GEEXPLOITEERD
Artikel 77 Organisaties voor gezamenlijke exploitatie toeqestaan Dit verdrag staat niet in den weg van het oprichten. van organisaties voor de gezamenlijke exploitatie van luchtvervoer of internationale exploiatie-bureaux, dan wel van het gemeenschappelijk uitoefenen van luchtdiensten op eenige route of in eenig gebied; wel echter zijn zoodanige organisaties of bureaux en zoodanige gemeenschappelijke diensten onderworpen aan alle bepalingen van dit Verdrag, daaronder begrepen die, betreffende de registratie van overeenkomsten bij den Raad. De Raad bepaalt, op welke wijze de bepalingen van dit Verdrag betreffende de nationaliteit vanluchtvaartuigen van toepassing zljn op luchtvaartuigen, geexploiteerd door internationale exploitatie- bureaux.
Artikel 78 Taak van den Raad De Raad kan aan de betrokken verdragsluitende Staten in overweging geven gezarnenlijke organisaties voor de exploitatie van Iuchtdiensten op eenige route of in eenig gebied te vormen.
Artikel 79 Deelneming in exploitatie-organisaties Een Staat kan in een organisatie voor gezamenlijke exploitatie of aan
regelingen voor gemeenschappelijke uitoefening van luchtdiensten deelnemen, hetzij
door zijn Regeering, hetzij door een of mieer luchtvaartmaatschappijen, aangewezen door zijn Regeering.
De maatscbappijen kunnen zulks naar de uitsluitentende beoordeeling van den betrokken Staat,
Staatseigendom, gedeeltelijk Staatseigendom dan wel particulier eigendom ziin.
Deel
IV - Slotbepalingen
HOOFDSTUK XVII
ANDERE LUCHTVAARTOVEREENKOMSTEN EN REGELINGEN Artikel 80 Verdragen van Parijs en van Havanna Elke verdragsluitende Staat verbindt zich, onmiddelijk na het in werking, treden van dit Verdrag, het Verdrag houdende Regeling van de Luchtvaart, geteekend te Parijs op 13 oktober 1919 of het Verdrag, inzake de Handelsluchtvaart, geteekend te Havanna op 20 Februari 1928, indien hij bij een dezer verdragen partij is, op te zeggen. Voor de rechtsverhouding tusschen de verdragsluitende Staten treedt dit Verdrag in de plaats van de eerder genoemde Verdragen van Parijs en van Havanna.
Artikel 81 Registratie van bestaande, overeenkomsten Alle luchtvaartovereenkomsten, welke bij het inwerking treden van dit Verdrag bestaan tusschen een verdragsluitenden Staat en een anderen Staat of tusschen een luchtvaartmaatschappij van een verdragsluitenden Staat en een anderen Staat of de luchtvaartmaatschappij van een anderen Staat, worden onverwijld bij den Raad geregistreerd.
Artikel 82 Buitenwerkingstelling van overenigbare regelingen De verdragsluitende Staten aanvaarden dit Verdrag als buiten werking, stellend alle tussehen hen bestaande verplichtingen en afspraken, welke onvereenigbaar zijn met zijn bepalingen en verbinden zich, zoodanige verplichtingen of afspraken niet aan te gaan. Een verdragsluitende Staat, die voordat hii lid van de Organisatie werd ten opzichte van een niet verdragsluitenden Staat of een onderdaan van een verdragsluitenden Staat, of van een niet verdragsluitenden Staat verplichtingen heeft aangegaan, welke onvereenigbaar zijn met de bepalingen van dit Verdrag, dient onmiddelliik stappen te doen om van zijn verplichtingen te worden ontslagen. Indien een luchtvaartmaatschappij van een verdragsluitenden Staat zodanige onvereenigbare verplichtingen heeft aangegaan, dient de Staat, waartoe zij behoort, ziln beste krachten aan te wenden, ten einde deze onverwijld te doen beeindigen en in ieder geval zorg te dragen, dat zij worden beeindigd zoo spoedig als na het in werking treden van dit Verdrag wettelilk kan geschieden.
Artikel 83 Registratie van nieuwe regelingen Met inachtneming van de bepalingen van het vorige artikel kan een verdragsluitende Staat regelingen treffen, welke niet onvereenigbaar zijn met de bepalingen van dit Verdrag,. Elke zoodanige regeling wordt onverwijld oeregistreerd bij den Raad, die deze zoo spoedig, mogelijk bekend maakt.
HOOFDSTUK XVIII
GESCHILLEN EN VERZUIMEN
Artikel 84 Oplossing van geschillen Indien een meeningsverschil tusschen twee of meer verdragsluitende Staten betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en zijn Bijlagen niet door onderhandelingen kan worden opgelost, wordt daarin op verzoek van een der bij het meningsverschil betrokken Staten, door de Raad beslist. Geen lid van den Raad mag zijn stem uitbrengen bij de behandeling door den Raad van een geschil waarbij hij partij is. Een verdragsluitende Staat kan met inachtneming van artikel 85 van de beslissing van den Raad in beroep gaan bij een met de andere bij het geschil betrokken partijen overeengekomen scheidsgerecht ad hoc of bij het Permanente Hof van Internationale Justitie. Van een zoodanig beroep'wordt aan den Raad mededeeling gedaan binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het bericht van de beslissing van den Raad.
Artikel 85 Scheidsrechtelijke procedure Indien een verdragsluitende Staat, partij bij een geschil waarbij tegen de beslissing van den Raad beroep is aangetekend, het Statuut van het Permanente Hof van Internationile Justitie niet heeft aanvaard en de verdragsluitende Staten, partij bij het geschil, niet tot overeenstemming, kunnen komen omtrent de keuze van een scheidsgerecht, dient elk van de verdragsluitende Staten, partij bij dit geschil, een arbiter te benoemen, die een scheidsrechter aanwijzen. Indien een der verdragsluitende Staten, partij bij het geschil, in gebreke blijft een arbiter te benoemen binnen een termijn van drie maanden na den dag van het beroep, wordt voor dien Staat een arbiter benoemd door den Voorzitter van den Raad uit een door den Raad gehouden Lijst van kundige en beschikbare personen. Indien 'binnen een termijn van dertig dagen de arbiters niet tot overeenstemming kunnen komen omtrent een scheidsrechter, wijst de Voorzitter van den Raad een scheidsrechter aan uit de vorenbedoelde lijst. De arbiters en de scheidsrechter vormen dan gezamenlijk een scheidsgerecht. Een scheidsgerecht, ingesteld op grond van dit of van het voorgaande Artikel, stelt zijn eigen procedure vast en geeft ziin beslissing bij meerderheid van stemmen, met dien verstande, dat de Raad, in geval van naar zijn oordeel buitensporige vertraging, den procesgang kan bepalen.
Artikel 86 Beroep Tenzij de Raad anders beslist, blijft een beslissing van den Raad omtrent de vraag of een Internationale luchtvaartmaatschappij haar luchtlijnen exploiteert in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag van kracht, tenzij in beroep anders wordt bepaald. In alle andere aangelegen worden beslissingen van den Raad, indien daartegen beroep wordt aangeteekend opgeschort, totdat in beroep is beslist. De beslissing van het Permanente Hof van Internationale Justitie en van een scheidsgerecht zijn beslissend en bindend.
Artikel 87 Strafmaatregelen voor luchtvaartmaatschappij bij overtreding van beslissing Elke verdragsluitende Staat verbindt zich de exploitatie van een luchtvaartmaatschappij van een verdragsluitenden Staat door het luchtruim boven zijn grondebied niet toe te staan, indien de Raad heeft beslist, dat de betrokken luchtvaartmaatschappij zich niet houdt aan een uiteindelijke beslissing, gegeven in overeenstemmihg met het vorige Artikel.
Artikel 88 Strafmaatregelen voor Staten bij overtreding van beslissing Indien een verdragsluitende Staat wordt bevonden in gebreke te blijven op grond van de bepalingen van dit Hoofdstuk, schort de Vergadering diens stemrecht in de Vergadering en in den Raad op.
HOOFDSTUK XIX
OORLOG
Artikel 89 Toestand van oorlog en gevaar In geval van oorlog laten de bepalingen van dit Verdrag de vrijheid van handelen van de betrokken verdragsluitende Staten onverkort, hetzij zij in den oorlog betrokken dan wel neutraal zijn. Hetzelfde beginsel is van toepassing in het geval, dat een verdragsluitende Staat verklaart, dat het land in gevaar verkeert en van die omstandigheid mededeeling doet aan den Raad
HOOFDSTUK XX
BIJLAGEN
Artikel 90 Aanvaarding en wijziging van Bijlagen
(b) De Raad geeft onmiddellijk allen verdragsluitenden Staten kennis
van de inwerkingtreding van een Bijlage of van een wijziging daarin. HOOFDSTUK XXI
BEKRACHTIGINGEN, TOETREDINGEN, WIJZIGINGEN EN OPZEGGINGEN
Artikel 91 Bekrachtiging van Verdrag
Artikel 92 Toetreding tot Verdrag
Artikel 93 Toelating van andere Staten Andere Staten dan die, bedoeld in de Artileken 91 en 92 onder (a) kunnen, met goedkeuring van eenige algemeene internationale organisatie, door de volkeren van de wereld ingesteld ter waarborging van den vrede, tot deelneming, aan dit Verdrag worden toegelaten door middel van een Besluit van de Vergadering waarvoor een meerderheid van viervijfden van de stemmen moet zijn verkregen en op zoodanige voorwaarden, als de Vergagering kan bepalen, met dien verstande, dat in elk geval de goedkeuring noodig is van den Staat, die door den Staat, die toelating verzoekt, gedurende den huidigen oorlog is overvallen dan wel aangevallen.
Artikel 94 Wijziging van Verdrag
Artikel 95 Opzegging van Verdrag
(b) De opzegging wordt van kracht een jaar na den datum van de
mededeeling en geldt slechts voor den Staat, die heeft opgezegd. HOOFDSTUK XXII
DEFINITIES
Artikel 96 Dit Verdrag verstaat onder:
ONDERTEEKENING VAN HET VERDRAG Ter oorkonde waarvan, de ondergeteekende gevolmachtigden daartoe behoorlijk gemachtigd namens hunne onderscheidene Regeeringen dit Verdrag onderteekenen op de data, voorkomende terzijde van hun onderscheidenlijke handteekeningen. Gedaan te Chicago op den zevenden December 1944 in de Engelsche taal. Een tekst, opgesteld in de Engelsche, Fransche en Spaansche taal, welke alle gelijkelijk authentiek zullen zijn, zal te Washington D.C. worden gedeponeerd ter onderteekening. Beide teksten zullen worden nedergelegd in de archieven van de Regeering van de Vereenigde Staten van Amerika en gewaarmerkte afschriften zullen door die Regeering worden toegezonden aan de Regeeringen van alle Staten, welke dit Verdrag zullen onderteekenen of daartoe zullen toetreden. |